Poetry International Poetry International
Poem

Threa Almontaser

STAINED SKIN

BESCHILDERDE HUID

Mijn tantes zijn geboren uit de bodem van hun moeders
theekop, kwamen tevoorschijn uit voorspellingen en gesuikerde melk.

Ze zijn nog steeds kaneel. Ze volgen zwarte theebladeren
als losse haren. Hun huid kleurt donkerder, donkerder

en het is schitterend. Ik ben twaalf, schenk shai Arabi
in een overvolle keuken, toon de henna

op mijn linkerhand –—yamkleurige stelen, spiralen
en Dragon Balls. Hennaplanten geplet om onder te dompelen

in thee. Mijn eczeem prikt, een zus veegt de tranen weg.
Ik leer schoonheid te zien in verval, verf mijn uitslag

in de kleur van populierbladeren in de herfst, een rode gloed.
Ik wil dat de kinderen op school zien dat ik tattoos heb. Ik schets bendetekens op armen

tijdens de lunch. Werd altijd gezien als iets anders.
Nu zal ik een cooler, exotische ander zijn. Ik wil

dikke zwarte eyeliner rond mijn ogen, eruitzien zoals mijn tantes met hun brede heupen,
haar tot aan mijn taille bespoten met chai. Echtgenoten afgescheiden

door een zwaar doek, ze roken zoet blauw
uit een gekronkelde pijp, ons hele huis een mistig rookgordijn waarin spoken

zich kunnen verstoppen. Ik toon de de henna-hand trots aan mijn voorouders,
hun ontzag een suizen van wind op onze gezichten. Ik schuif haar

door het gordijn zodat de mannen kunnen gluren, ren dan weg
alsof ik haar zojuist in de bek van een Karkadann heb geplaatst.

Mijn tantes hebben de gave henna van hun polsen te laten springen.
De bloemen dansen op tafelbladen, geuren ons

een korte geschiedenis in. De patronen te gedetailleerd
om te bevatten. De zorgvuldige snelheid waarmee ze op zichzelf

tekenen. Hoe ze precies de juiste hoeveelheid uit
de kegels knijpen: dikke pasta, naaldpunt, 

in twintig minuten een zigzagpatroon. Mijn oma versiert
enkel haar zolen. Dikke cirkels in het midden van haar handpalmen.

Laat het hof van het lichaam aan ons, jongere meisjes, over, haar huid
niet wat het ooit was. Ik weet dat ze me ziet pronken,

rauw gescrubd met bananenschillen, olijfolie, dingen
van Youtube, in een poging zichzelf weer effen te maken.

Geen van ons kan ontsnappen aan de pure henna, verzonden
in koffers van honinggraten en onzichtbare familieleden,

zongebakken stenen. Mijn tantes zitten wijdgevleugeld als een adelaar
op de bank stil als waterspuwers op een kerkhof,

niet in staat om te eten, zich aan te kleden, hun kont af te vegen. Een dag
met hun geduld kan ik me niet voorstellen, slungelige ledematen

omtoveren in mysterieuze muurschilderen. Ik zie ze niet eens
ademen, schone slaapsters, hun kleine dood, een neef

betaald om te wapperen tot de verf droogt, hun huid een ode,
barsten, de eerste kruimel, eronder ontvouwt zich een fresco.

STAINED SKIN

My aunties were birthed from the bottom of their mother’s
tea cup, emerging out the fortunes and sugared milk. 

They are still cinnamon. They trail black tea leaves
like loose hairs. Their skin simmering darker, darker, 

and it is beautiful. I am twelve, pouring shai Arabi
in a crowded kitchen, showcasing henna I did 

on my left hand–—yam-colored stems, whirls
and Dragon Balls. Henna plants crushed to steep

in tea. My eczema prickles, a sister wiping the tears.
I learn to find beauty in decay, paint my rash 

as poplar leaves in fall, turning rutilant. I want kids
at school to see me tatted. I draw gang signs on arms 

at lunch. Always seen me as something other.
Now I will be a cooler, exotic other. I want to be 

rimmed kohl-black, look like my wide-hip aunties,
waist-length hair sprayed with chai. Husbands rivered 

by a heavy curtain, pulling sweet blue from a coiled
pipe, our whole house a foggy smoke screen the ghosts 

can hide in. I flaunt the henna-hand to my ancestors,
their awe a whoosh of wind on our faces. I slip it 

through the drape so the men can peek, then rush off
like I just placed it in the jaws of a karkadann. 

My aunties can leap their henna off their wrists.
The flowers dance on tabletops, fragrant us 

into a brief history. Their patterns too detailed
to boggle. The careful speed in which they draw 

on themselves. How they squeeze just the right
sum from cones: gooped paste, needled tip, 

spool of zigzags in twenty minutes. My grandma cakes
only her soles. Fat circles in the middle of her palms. 

Leaves the bodygarden for us younger girls, her skin
not what it once was. I know she sees me showing-off, 

rubbed raw with banana peels, olive oil, things
off YouTube, trying to smooth herself back. 

None of us can escape the pure henna shipped
in suitcases of honeycombs and unseen relatives, 

sunbaked stones. My aunties are spread-eagle
on the couch, still as gargoyles in a graveyard, 

unable to eat, dress, wipe their asses. I can’t imagine
a day with their patience, turning lanky limbs

into a mysterious mural. I don’t even see them
breathe, sleeping beauties, their little deaths, a cousin 

paid to fan their odic skin until the stain dries,
cracks, the first crumble, a fresco flowering beneath. 

Close

STAINED SKIN

My aunties were birthed from the bottom of their mother’s
tea cup, emerging out the fortunes and sugared milk. 

They are still cinnamon. They trail black tea leaves
like loose hairs. Their skin simmering darker, darker, 

and it is beautiful. I am twelve, pouring shai Arabi
in a crowded kitchen, showcasing henna I did 

on my left hand–—yam-colored stems, whirls
and Dragon Balls. Henna plants crushed to steep

in tea. My eczema prickles, a sister wiping the tears.
I learn to find beauty in decay, paint my rash 

as poplar leaves in fall, turning rutilant. I want kids
at school to see me tatted. I draw gang signs on arms 

at lunch. Always seen me as something other.
Now I will be a cooler, exotic other. I want to be 

rimmed kohl-black, look like my wide-hip aunties,
waist-length hair sprayed with chai. Husbands rivered 

by a heavy curtain, pulling sweet blue from a coiled
pipe, our whole house a foggy smoke screen the ghosts 

can hide in. I flaunt the henna-hand to my ancestors,
their awe a whoosh of wind on our faces. I slip it 

through the drape so the men can peek, then rush off
like I just placed it in the jaws of a karkadann. 

My aunties can leap their henna off their wrists.
The flowers dance on tabletops, fragrant us 

into a brief history. Their patterns too detailed
to boggle. The careful speed in which they draw 

on themselves. How they squeeze just the right
sum from cones: gooped paste, needled tip, 

spool of zigzags in twenty minutes. My grandma cakes
only her soles. Fat circles in the middle of her palms. 

Leaves the bodygarden for us younger girls, her skin
not what it once was. I know she sees me showing-off, 

rubbed raw with banana peels, olive oil, things
off YouTube, trying to smooth herself back. 

None of us can escape the pure henna shipped
in suitcases of honeycombs and unseen relatives, 

sunbaked stones. My aunties are spread-eagle
on the couch, still as gargoyles in a graveyard, 

unable to eat, dress, wipe their asses. I can’t imagine
a day with their patience, turning lanky limbs

into a mysterious mural. I don’t even see them
breathe, sleeping beauties, their little deaths, a cousin 

paid to fan their odic skin until the stain dries,
cracks, the first crumble, a fresco flowering beneath. 

STAINED SKIN

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Hendrik Muller fonds
Lira fonds
J.E. Jurriaanse
Literature Translation Institute of Korea
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère