Poetry International Poetry International
Poem

Julian Talamantez Brolaski

OF MONGRELITUDE

OVER BASTAARDITUDE

Als je op rozen zit, zit je niet op rozen zelf.  Niemand hoeft een e-boek, ze laten je nog liever achter in het meer, met een hol van vermolmend slik als doodskist.  Iedereen noemt het een recessie—das hun illusie.  Ik ben privaatrechtelijk bekend met die tegenstrijdige situaties waarin mij gezegd wordt dat eerst het ene dan het andere toilet het verkeerde is.  Madame, c’est là! en dan o monsieur! je me suis tromper!  Als ik m’n neus poeder temidden van al die tudes, als ik ervoor kies blootsvoets rond te lopen in de kleine uurtjes… je bent zelf een helende eigenschap weet je.  Je kwam enkel van de kermis thuis om mee te gaan met het circus zn feestvreugde, om de vorst te vieren.  Dus men leert heurlui weg te banen in de massalitudes.  En zaligheid te smaken als koeimens.
 
Ik weet dat ik geen reet voorstel hiero.  Zij wier gegareelde gedachte de winter verdreef, gaen ondergronds met heurlui daimon warstelen.  De stijgbeugels valreepten en de bagger was te barsten, maar ik keek omlaag naar het stroompje tussen de sporen en kon niet uitmaken of het een drol was wat ik zag of verwrongen roestmetaal.  & de joelende ratten maar wroeten tussen de zwarte dood en de tyfus.  Eén komt eruit stappen, hun ogen op de oevers laten vallen, slechts kennis hebbend aan het slijk dat ze in de rondte rotzooiden.  Plotseling zijn je dijen en die van je nabuur tegen elkaar aan gedrukt, toevallige kameraadschap of botte erotiek.  En geen van jullie beiden trekt zich terug.
 
We reppen ons naar de grindheuvels, de morgenster verenigd met zn zwerver. 

OF MONGRELITUDE

A bed of roses itself is no bed of roses.  Nobody wants an e-book, they would sooner leave you in the lake, a den of mouldering slime for your coffin.  Everbody calling it a recession—theyr in a delusion.  I am privy to these contradictory situations where I am told first the one and then the other bathroom is the wrong one.  Madame, c’est là! and then o monsieur! je me suis tromper!  If I powder my nose in the tudes, if I choose to walk barefoot in the small hours… you yourself are a healing property you know.  You came home from the fair only to join the circus its festal moods, to feast on frost.  So one learns to make thir way among the multitudes.  And know bliss as a cowperson. 
 
I know I am the small fry here.  Whose harnassed thot drove winter aback, gos wrastlin thir daemon underground.  Tho the stirrups brinked and tha mud was broke, I looked down to the rivulet between the tracks, and couldnt tell if what I saw was a turd or twisted rust metal.  & the rats rooting amid the black death and the typhus.  One comes out steppin, their eyes fallen on the shores, cognizant only to the trash they mucked around.  Suddenly you and your neighbours thighs are pressed together, accidental camaraderie or blunt eroticism.  And neither of you move away. 
 
We race toward the mounds of gravel, the morning star met with its wanderer.
Close

OF MONGRELITUDE

A bed of roses itself is no bed of roses.  Nobody wants an e-book, they would sooner leave you in the lake, a den of mouldering slime for your coffin.  Everbody calling it a recession—theyr in a delusion.  I am privy to these contradictory situations where I am told first the one and then the other bathroom is the wrong one.  Madame, c’est là! and then o monsieur! je me suis tromper!  If I powder my nose in the tudes, if I choose to walk barefoot in the small hours… you yourself are a healing property you know.  You came home from the fair only to join the circus its festal moods, to feast on frost.  So one learns to make thir way among the multitudes.  And know bliss as a cowperson. 
 
I know I am the small fry here.  Whose harnassed thot drove winter aback, gos wrastlin thir daemon underground.  Tho the stirrups brinked and tha mud was broke, I looked down to the rivulet between the tracks, and couldnt tell if what I saw was a turd or twisted rust metal.  & the rats rooting amid the black death and the typhus.  One comes out steppin, their eyes fallen on the shores, cognizant only to the trash they mucked around.  Suddenly you and your neighbours thighs are pressed together, accidental camaraderie or blunt eroticism.  And neither of you move away. 
 
We race toward the mounds of gravel, the morning star met with its wanderer.

OF MONGRELITUDE

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Hendrik Muller fonds
Lira fonds
J.E. Jurriaanse
Literature Translation Institute of Korea
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère