Poetry International Poetry International
Poem

Harry Man

NIGHTINGALE IS

DE NACHTEGAAL IS

In de praktijk zwerven deze nachtegaalwoorden rond, zwermend in een homevideo
klankmuur van gebalde lucht, de wind die het binnenoor
van vogelgehoor hoog meevoert in de vrede van de berk
waar aanwassen een werkwoord voor wispelturig weer is gehoord tijdens het cirkelen
rond afgedankte jachtterreinen, terwijl de door de Medway bevloeide
weegbree wordt afgespeurd naar wat friemelt in het ultraviolet,
aeronautische signalen, synaptische bogen over het achterbrein, middenbrein,
voorbrein, biddend, een flitsende volgbare frase van een uniek klankpatroon
opgeslagen in het beschutte bijenverstand dat de gedrilde deun in acht neemt
de strooien kelk van het nest en het schedelgewelfde lied in luchtholten
hoopt in de alveolen de gassen op die elektrisch golven, stijgen,
aangestuurd door de longen, het hart, de maag, de maag,
hart en longen, de draaggolf van de polsslag is gyroscopisch
via curves, curves van de magnetisch glijdende huiddikke kruin die,
minder gewis, toch zin voor het Noorden, Norfolk, Shaker’s Wood onthult,
dan halfronden bestijgt, nooit bezwijmt, in duikvlucht daalt,
de tent van zijn vleugels neerklapt, valt met de nukken van de wind, een sloep strijkend langs
het doorzichtige cerebellum van hoog lover, zijn zoekende vlucht afwegend tegen
het waarom, welke tak goed is om een prooi te ontwaren
als het erop aan komt eerst te doden, en trilt vlagen van generfd gestamel,
het kopje schokkend vanwege het oog, de sinussen zoemen
onder de territoriale roep van de syrinx, chiaroscuro, klinkend, snerpend,
ze heffen gejoel aan, Senegambiaans, de wind draait –
je hoort het: de nachtegaal, een wijfje, zingt nerveus lachend,
een muzikale verjaardagskaart voor de doden,
terwijl een autoalarm van een vakantieganger – luid en lang en doordringend
en aarzelend tussen waarschuwing en vraag om aandacht,
afbreekt in onwennige vredigheid.

NIGHTINGALE IS

In practice this nightingale's words swerve, herded into home video
air-stuffled foreground wall sound, the wind that wears at altitude
the aural cavities of avian hearing in the peace from the birch
where wash is a verb of weatherfront heard while circling
the circuit of hand-me-down hunting grounds, microscoping
the Medway-soaked plantain for what itches in the ultraviolet,
signals aeronautic, arcs synaptic across the hindbrain, midbrain,
forebrain, hover-held, a fulgurite voice-print following-fit phrase
memorised in the buffered bee-mind reckoning the rote intones
the thatch calyx of nest and the skull-vaulted song in air sacs
stacks the socketing of gases that surge-electric, sublate,
regulated by the lungs, the heart, the stomach, the stomach,
heart and lungs, the carrier wave of pulse is gyroscopic
through curves, curves of the skin-thick crown coast-magnetic,
less dead cert, but surfs a feeling for North, Norfolk, Shaker’s Wood,
next crests hemispheres, never blackening out, dips to pitch, downs
the tent of its wings, falls with the grain of the wind, a skiff skirting
the transparent cerebella of high canopies, weighing sail-search
with why, whichever perch works to see what kill comes
if it comes to kill first and shudders bursts of nerved stuttering,
the head saccading for the sake of the eye, the sinuses hum
in syrinx territory calls, chiaroscuro, resonant, stridulating
lift ululatations, Senegambian, the wind changes –
you hear it; the nightingale, a female singing in nervous laughter,
a musical birthday card addressed to the dead,
a holiday-maker’s car alarm – loud and long and penetrating
and worrying between wanting attention and warning,
breaking off into an uneasy peace.
Close

NIGHTINGALE IS

In practice this nightingale's words swerve, herded into home video
air-stuffled foreground wall sound, the wind that wears at altitude
the aural cavities of avian hearing in the peace from the birch
where wash is a verb of weatherfront heard while circling
the circuit of hand-me-down hunting grounds, microscoping
the Medway-soaked plantain for what itches in the ultraviolet,
signals aeronautic, arcs synaptic across the hindbrain, midbrain,
forebrain, hover-held, a fulgurite voice-print following-fit phrase
memorised in the buffered bee-mind reckoning the rote intones
the thatch calyx of nest and the skull-vaulted song in air sacs
stacks the socketing of gases that surge-electric, sublate,
regulated by the lungs, the heart, the stomach, the stomach,
heart and lungs, the carrier wave of pulse is gyroscopic
through curves, curves of the skin-thick crown coast-magnetic,
less dead cert, but surfs a feeling for North, Norfolk, Shaker’s Wood,
next crests hemispheres, never blackening out, dips to pitch, downs
the tent of its wings, falls with the grain of the wind, a skiff skirting
the transparent cerebella of high canopies, weighing sail-search
with why, whichever perch works to see what kill comes
if it comes to kill first and shudders bursts of nerved stuttering,
the head saccading for the sake of the eye, the sinuses hum
in syrinx territory calls, chiaroscuro, resonant, stridulating
lift ululatations, Senegambian, the wind changes –
you hear it; the nightingale, a female singing in nervous laughter,
a musical birthday card addressed to the dead,
a holiday-maker’s car alarm – loud and long and penetrating
and worrying between wanting attention and warning,
breaking off into an uneasy peace.

NIGHTINGALE IS

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère