Poetry International Poetry International
Poem

Ken Babstock

TO WHEN WE NO LONGER DIE

VOOR WANNEER WE NIET LANGER DOODGAAN

We hebben nu alles wat we niet willen en weten
niets van schaarste, hoewel het Victoriaanse station nog
te zien is vanaf hier. Zijn skelet vers gezandstraald
 
en het restantje ijzer dat die ramen dooradert
geeft ze een lomperig aanzien, als losgeschoffeld
slijk in de winter van een tijdperk ruim voor –
 
vage kalenderaanduidingen snel fadend
in filmoorlogen, spasmische deskundologen, en fragmenten
uit Lincolns toespraken. Latijnse U’s lijken op V’s,
 
we blijven ons maar afvragen of het ze niet ontbrak
aan een specifiek bijtelblad. Rotsduiven
sieren de gotische cake met kak. Geschoten
 
in zwartwit moeten we later kiezen uit kleur-
tonen en -contrasten, tijdens postproductie,
achter ons de zo puberige weemoed van inbeelden
 
dat we er niet meer zijn, heel arthouse-achtig zwijgzaam,
crises van eindigheid en een vrij dun laagje grime. De reut
van het zoals het was zal het altijd zijn, paft nog steeds. Vioolsleutels
 
van zwarte eekhoorns, intussen, gaan over in bas terwijl een wind
opsteekt in het afgelegen branchewerk. We willen er graag
om herinnerd worden dat we geen zooi
 
hebben achtergelaten. Zijn liedjes rommel? Is er een steeg
om nog in te zeiken? Versnellende hoofden schieten
in uitgelicht diorama voorbij, flipboekje toont
 
het ene hoofd. Onze eigen trein mindert vaart. In aparte
coupés nemen we onze plaatsen weer in, tellen
de kalkoengieren op, import uit Arkensas, met dreigblik
 
op een congestie van klaverblad. In middengolf gonzende turbines
boven suikerbieten en berglama. Verschijning roept zichzelf uit
tot het oorspronkelijke mysterie. Noordelijk leven trekt noordwaarts.

TO WHEN WE NO LONGER DIE

We have all we don’t want now and can’t
know need, though the Victorian terminal’s still
visible from here. Its shell freshly sand-blasted,


and what iron still veins those windows
gives them a lumpen aspect, like trowelled-on
mud in the winter of an era deeply previous to —
 
unnamed calendrical marker fading fast
into movie wars, pundits in seizure, and fragments
from Lincoln’s speeches. Latin U’s appear as V’s,
 
we can’t help wondering were they missing
a particular chisel blade. Rock doves
decorate the gothic cake in cack. Shot
 
in black and white, we’re to choose colour
tone and contrast later, in post-production,
once we’re past the very teenage tristesse
 
of imagining ourselves gone, all art-house taciturn,
crises of finitude, and very little make-up. Ranks
of the as it was ever it shall be, still smoking. Treble clefs
 
of black squirrels, meanwhile, change to bass as a wind
gets up in the far-off branch work. We’d like
to be remembered for not mucking
 
up the place. Are songs litter? Is there an alley
we have yet to piss in? Accelerating heads whip past
in illuminated diorama, flip-book depicting
 
the one head. Our own train slows. We re-take
our seats in separate compartments, tot up
turkey vultures, imports from Arkansas, glaring
 
at congested cloverleafs. Mid-range drone of turbines
above sugar beets and alpaca. Appearance proclaims
itself the original mystery. Northern life migrates north.
Close

TO WHEN WE NO LONGER DIE

We have all we don’t want now and can’t
know need, though the Victorian terminal’s still
visible from here. Its shell freshly sand-blasted,


and what iron still veins those windows
gives them a lumpen aspect, like trowelled-on
mud in the winter of an era deeply previous to —
 
unnamed calendrical marker fading fast
into movie wars, pundits in seizure, and fragments
from Lincoln’s speeches. Latin U’s appear as V’s,
 
we can’t help wondering were they missing
a particular chisel blade. Rock doves
decorate the gothic cake in cack. Shot
 
in black and white, we’re to choose colour
tone and contrast later, in post-production,
once we’re past the very teenage tristesse
 
of imagining ourselves gone, all art-house taciturn,
crises of finitude, and very little make-up. Ranks
of the as it was ever it shall be, still smoking. Treble clefs
 
of black squirrels, meanwhile, change to bass as a wind
gets up in the far-off branch work. We’d like
to be remembered for not mucking
 
up the place. Are songs litter? Is there an alley
we have yet to piss in? Accelerating heads whip past
in illuminated diorama, flip-book depicting
 
the one head. Our own train slows. We re-take
our seats in separate compartments, tot up
turkey vultures, imports from Arkansas, glaring
 
at congested cloverleafs. Mid-range drone of turbines
above sugar beets and alpaca. Appearance proclaims
itself the original mystery. Northern life migrates north.

TO WHEN WE NO LONGER DIE

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère