Poetry International Poetry International
Gedicht

Yves Bonnefoy

HOPKINS FOREST

I had gone out
To get some water at the well by the trees,
And I was in the presence of another sky.
Disappeared was the constellations of a moment before,
Three quarters of the firmament was empty,
The most intense black reigned there alone,
But to the left, above the horizon,
Mixed with the top of the oaks,
There was a cluster of glowing stars
Like a blazing fire, from which even a cloud of smoke rose.

I went back in
And I re-opened the book on the table.
Page after page,
There were only indecipherable marks,
Aggregates of forms with no meaning
Although vaguely recurring,
And underneath a bottomless whiteness
As though what one calls the mind fell there, noiselessly,
Like snow.
I nevertheless turned the pages.

Many years before
In a train at the moment of daybreak
Between Princeton Junction and Newark,
That is, two accidental places for me.
Two arrows fallen to earth from nowhere,
The travellers were reading, silent
In the snow that was sweeping across the grey windows,
And suddenly,
In an open newspaper a couple of feet away from me,
A big photograph of Baudelaire,
A whole page
As the sky empties at the end of the world
To agree to the disorder of the words.

I drew together this dream and the memory
When I walked, first all one autumn
In woods where soon it was the snow
That triumphed, in many of those signs
That we receive, contradictorily,
From the world devastated by language.
The conflict of two principles came to an end,
It seemed to me, two lights mingled,
The edges of the wound healed.
The white mass of cold fell in bursts

Onto colour, but a roof in the distance, a painted
Plank leaning against a railing,
It was still colour, and mysterious,
Like one who would emerge from the tomb and, cheerful:
‘No, don't touch me,’ he would say to the world.

I really owe a lot to Hopkins Forest,
I keep it on my horizon, in its part
That abandons the visible for the invisible
By the quivering of the blue of the distance.
I listen to it, through the noises, and sometimes even,
In the summer, scuffing the dead leaves
Of other years, vivid in the half-light
Of the oak trees that are too dense among the stones,
I stop, I think that this ground opens
To the infinite, that these leaves fall there
Without haste, or else go back up, the high, the low
No longer being, nor the noise, except the light
Whisper of the flakes that soon
Increase,  get closer, join together,
– And then I see again all the other sky,
I enter for an instant into the big snow.

HOPKINS FOREST

Ik was naar buiten gegaan
Om water te putten uit de bron bij de bomen,
En bevond me tegenover een andere hemel.
Verdwenen waren de sterrenbeelden van daarnet,
Driekwart van het firmament was leeg,
Hier heerste alleen nog het allerdichtste zwart,
En toch, links, boven de horizon,
Vermengd met de kruin van de eiken,
Was er die massa fonkelende sterren
Als gloeiende kooltjes, waaraan zowaar rook ontsteeg.

Ik ging terug naar binnen
En sloeg het boek op de tafel weer open.
De ene na de andere bladzijde
Bestond uit niets anders dan onontcijferbare tekens,
Groepen van betekenisloze vormen
Van een zekere regelmaat,
En daaronder: een peilloos wit waarin de geest,
Of wat daarvoor doorgaat, geluidloos lijkt te vallen
Als sneeuw.
Toch sloeg ik voort de bladzijden om.

Jaren daarvoor
In een trein bij het aanbreken van de dag
Tussen Princeton Junction en Newark,
Wat voor mij twee toevalsplekken zijn,
Twee pijlen die neervielen van nergens,
Lazen de reizigers, zwijgend
In de sneeuw die over de grijze ramen joeg,
En plots,
In een opengeslagen krant, twee stappen voor mij,
Een grote foto van Baudelaire,
Een hele pagina
Zoals de hemel leegloopt aan het eind van de wereld
Om in te stemmen met de wanorde van woorden.

Ik bracht deze droom en deze herinnering bij elkaar
Toen ik, een herfst lang
Door bossen wandelde, waar al gauw de sneeuw
Zegevierde, door ontelbare tekens
Die me bereiken van een wereld
Die paradoxaal genoeg door taal werd verwoest.
Het kwam me voor alsof het conflict tussen twee principes
Een einde nam, alsof twee lichten zich vermengden,
De twee lippen van de wond zich sloten.
De witte massa van koude viel striemend

Over de kleuren neer, maar een dak in de verte,
Een beschilderde plank, rechtop tegen een hek,
Hielden stand als kleur, en geheimzinnig
Als iemand die uit het graf zou opstaan en lachend
Tegen de wereld zou zeggen: ‘Neen, raak me niet aan’.

Zoveel heb ik te danken aan Hopkins Forest,
Dat ik altijd voor ogen houd waar mijn horizon
Van het zichtbare in het onzichtbare overgaat
Door het trillen van het blauw in de verte.
Ik luister ernaar, door alle geruis heen, en soms,
’s Zomers, wanneer ik met mijn voet de dode bladeren
Van vorige jaren opzijschuif, oplichtend in het schemerdonker
Van de opeengedrongen eiken tussen de rotsen,
Stop ik wel eens, en denk dat deze bodem opengaat
Tot in het oneindige, dat de bladeren erin neerdwarrelen
Zonder haast, of omhoog zweven, want hoog en laag
Zijn verdwenen, evenals het geruis dat overging
In het lichte fluisteren van vlokken die al gauw
Dichter worden, bij elkaar komen, met elkaar versmelten
– En dan zie ik weer voluit de andere hemel,
Word, voor een moment, opgenomen in de grote sneeuw.

HOPKINS FOREST

J’étais sorti
Prendre de l’eau au puits, auprès des arbres,
Et je fus en présence d’un autre ciel.
Disparues les constellations d’il y a un instant encore,
Les trois quarts du firmament étaient vides,
Le noir le plus intense y régnait seul,
Mais à gauche, au-dessus de l’horizon,
Mêlé à la cime des chênes,
Il y avait un amas d’étoiles rougeoyantes
Comme un brasier, d’où montait même une fumée.

Je rentrai
Et je rouvris le livre sur la table.
Page après page,
Ce n’étaient que des signes indéchiffrables,
Des agrégats de formes d’aucun sens
Bien que vaguement récurrentes,
Et par-dessous une blancheur d’abîme
Comme si ce qu’on nomme l’esprit tombait là, sans bruit,
Comme une neige.
Je tournai cependant les pages.

Bien des années plus tôt,
Dans un train au moment où le jour se lève
Entre Princeton Junction et Newark,
C’est-à-dire deux lieux de hasard pour moi,
Deux retombées des flèches de nulle part,
Les voyageurs lisaient, silencieux
Dans la neige qui balayait les vitres grises,
Et soudain,
Dans un journal ouvert à deux pas de moi,
Une grande photographie de Baudelaire,
Toute une page
Comme le ciel se vide à la fin du monde
Pour consentir au désordre des mots.

J’ai rapproché ce rêve et ce souvenir
Quand j’ai marché, d’abord tout un automne
Dans des bois où bientôt ce fut la neige
Qui triompha, dans beaucoup de ces signes
Que l’on reçoit, contradictoirement,
Du monde dévasté par le langage.
Prenait fin le conflit de deux principes,
Me semblait-il, se mêlaient deux lumières,
Se refermaient les lèvres de la plaie.
La masse blanche du froid tombait par rafales
Sur la couleur, mais un toit au loin, une planche

Peinte, restée debout contre une grille,
C’était encore la couleur, et mystérieuse
Comme un qui sortirait du sépulcre et, riant:
‘Non, ne me touche pas’, dirait-il au monde.

Je dois vraiment beaucoup à Hopkins Forest,
Je la garde à mon horizon, dans sa partie
Qui quitte le visible pour l’invisible
Par le tressaillement du bleu des lointains.
Je l’écoute, à travers les bruits, et parfois même,
L’été, poussant du pied les feuilles mortes
D’autres années, claires dans la pénombre
Des chênes trop serrés parmi les pierres,
Je m’arrête, je crois que ce sol s’ouvre
A l’infini, que ces feuilles y tombent
Sans hâte, ou bien remontent, le haut, le bas
N’étant plus, ni le bruit, sauf le léger
Chuchotement des flocons qui bientôt
Se multiplient, se rapprochent, se nouent
– Et je revois alors tout l’autre ciel,
J’entre pour un instant dans la grande neige.
Close

HOPKINS FOREST

Ik was naar buiten gegaan
Om water te putten uit de bron bij de bomen,
En bevond me tegenover een andere hemel.
Verdwenen waren de sterrenbeelden van daarnet,
Driekwart van het firmament was leeg,
Hier heerste alleen nog het allerdichtste zwart,
En toch, links, boven de horizon,
Vermengd met de kruin van de eiken,
Was er die massa fonkelende sterren
Als gloeiende kooltjes, waaraan zowaar rook ontsteeg.

Ik ging terug naar binnen
En sloeg het boek op de tafel weer open.
De ene na de andere bladzijde
Bestond uit niets anders dan onontcijferbare tekens,
Groepen van betekenisloze vormen
Van een zekere regelmaat,
En daaronder: een peilloos wit waarin de geest,
Of wat daarvoor doorgaat, geluidloos lijkt te vallen
Als sneeuw.
Toch sloeg ik voort de bladzijden om.

Jaren daarvoor
In een trein bij het aanbreken van de dag
Tussen Princeton Junction en Newark,
Wat voor mij twee toevalsplekken zijn,
Twee pijlen die neervielen van nergens,
Lazen de reizigers, zwijgend
In de sneeuw die over de grijze ramen joeg,
En plots,
In een opengeslagen krant, twee stappen voor mij,
Een grote foto van Baudelaire,
Een hele pagina
Zoals de hemel leegloopt aan het eind van de wereld
Om in te stemmen met de wanorde van woorden.

Ik bracht deze droom en deze herinnering bij elkaar
Toen ik, een herfst lang
Door bossen wandelde, waar al gauw de sneeuw
Zegevierde, door ontelbare tekens
Die me bereiken van een wereld
Die paradoxaal genoeg door taal werd verwoest.
Het kwam me voor alsof het conflict tussen twee principes
Een einde nam, alsof twee lichten zich vermengden,
De twee lippen van de wond zich sloten.
De witte massa van koude viel striemend

Over de kleuren neer, maar een dak in de verte,
Een beschilderde plank, rechtop tegen een hek,
Hielden stand als kleur, en geheimzinnig
Als iemand die uit het graf zou opstaan en lachend
Tegen de wereld zou zeggen: ‘Neen, raak me niet aan’.

Zoveel heb ik te danken aan Hopkins Forest,
Dat ik altijd voor ogen houd waar mijn horizon
Van het zichtbare in het onzichtbare overgaat
Door het trillen van het blauw in de verte.
Ik luister ernaar, door alle geruis heen, en soms,
’s Zomers, wanneer ik met mijn voet de dode bladeren
Van vorige jaren opzijschuif, oplichtend in het schemerdonker
Van de opeengedrongen eiken tussen de rotsen,
Stop ik wel eens, en denk dat deze bodem opengaat
Tot in het oneindige, dat de bladeren erin neerdwarrelen
Zonder haast, of omhoog zweven, want hoog en laag
Zijn verdwenen, evenals het geruis dat overging
In het lichte fluisteren van vlokken die al gauw
Dichter worden, bij elkaar komen, met elkaar versmelten
– En dan zie ik weer voluit de andere hemel,
Word, voor een moment, opgenomen in de grote sneeuw.

HOPKINS FOREST

I had gone out
To get some water at the well by the trees,
And I was in the presence of another sky.
Disappeared was the constellations of a moment before,
Three quarters of the firmament was empty,
The most intense black reigned there alone,
But to the left, above the horizon,
Mixed with the top of the oaks,
There was a cluster of glowing stars
Like a blazing fire, from which even a cloud of smoke rose.

I went back in
And I re-opened the book on the table.
Page after page,
There were only indecipherable marks,
Aggregates of forms with no meaning
Although vaguely recurring,
And underneath a bottomless whiteness
As though what one calls the mind fell there, noiselessly,
Like snow.
I nevertheless turned the pages.

Many years before
In a train at the moment of daybreak
Between Princeton Junction and Newark,
That is, two accidental places for me.
Two arrows fallen to earth from nowhere,
The travellers were reading, silent
In the snow that was sweeping across the grey windows,
And suddenly,
In an open newspaper a couple of feet away from me,
A big photograph of Baudelaire,
A whole page
As the sky empties at the end of the world
To agree to the disorder of the words.

I drew together this dream and the memory
When I walked, first all one autumn
In woods where soon it was the snow
That triumphed, in many of those signs
That we receive, contradictorily,
From the world devastated by language.
The conflict of two principles came to an end,
It seemed to me, two lights mingled,
The edges of the wound healed.
The white mass of cold fell in bursts

Onto colour, but a roof in the distance, a painted
Plank leaning against a railing,
It was still colour, and mysterious,
Like one who would emerge from the tomb and, cheerful:
‘No, don't touch me,’ he would say to the world.

I really owe a lot to Hopkins Forest,
I keep it on my horizon, in its part
That abandons the visible for the invisible
By the quivering of the blue of the distance.
I listen to it, through the noises, and sometimes even,
In the summer, scuffing the dead leaves
Of other years, vivid in the half-light
Of the oak trees that are too dense among the stones,
I stop, I think that this ground opens
To the infinite, that these leaves fall there
Without haste, or else go back up, the high, the low
No longer being, nor the noise, except the light
Whisper of the flakes that soon
Increase,  get closer, join together,
– And then I see again all the other sky,
I enter for an instant into the big snow.
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère