Poetry International Poetry International
Poem

Galina Rymboe

Devoid of signs (fragments)

devoid of signs, not men not women
beyond categories and tribes

desolate landscapes

devoid of the power of recognition
their memories are short

and remembering matter impregnating spaces
disconnected from the bodies that inhabit the disaster zone


( . . .)

this is the book of decay, it loads the limits of memory,
a plane bearing the shards of creation, devoid of signs,
that are swept by the winds of transfiguration.

devoid of signs – a mother and the vein that pulses in her neck.

a small, cramped bar. its walls are painted black.

drowsing while he takes the broken face from the wall; I love you love what you do hurling your body at the wall and raising a second sky of sand above a wasteland of desire with a glance devoid of signs and the next day when you wash vegetables in a red stream of water and at night when the sorrow of movement flushes the life from our shared body towards the evil of perception

( . . .)

a football pitch transformed by a blast;

women gather at the edges around resonant craters ripping through the earth,

some photos from the gathering,
shown afterwards in the main building below the roar of an air ambulance;

a microscopic, slimy scroll and how it fell out of me together
with the remnants of the umbilical cord. it’s not a scroll not a woman not a body,
but something that looks at the remnants in the water all mixed up with blood, waiting for a call from the centre,

where scuffles break out

( . . .)

a wellspring of meetings. crude oil shaping forms of writing,
driving vocal matter from village to village,
a dream between industrial sheets, a levitation of love inside an empty billboard;
two of a kind, nailed to a stand by a kiosk, whisper, cowering near the earth;
flâneuse, she exhales earth, her inner village, stripped of reason,
where birds raise a wall o’er the river and serpents conjure foam from the mire,
where fungus roots sing of the gloom of our forms, and
the ancient mathematical brain of the forest
creaks;
giant marijuana leaves on the shirt of a deadened body;
a hunter with a lens, weary from his feeding tube, moves towards wild coal, the ringing crater of an empty mine where shadows of workers approach the milk dispenser; new energy,
new parliament, an ecological fascist with an old-school hi-fi
lumbers hastily to a double date at a bombed-out street cafe,
a miserable abuser – a poet with a pink book, in crude oil trousers,
in the shadow of dwindling communication; the skeleton of a bird on the steps of a corner shop
in the quarter of hope, near where scuffles broke out;
the iron lingerie of women who pine in the suburbs,
saints with beer, playing with balls made of memory matter
on a golden screen,
devoid of signs

( . . .)

what are you doing with that book? eating it like I eat you. making it empty space – like something with a severed palm on a cave wall that strikes up a dialogue, illumined through a gaping crack by the vulgar light of sunset, brushing a curled lock of hair from a bumpy forehead; ‘this is the stuff of evil,’ it said, nestling against the wall of the building, peeling off a leather coat, ‘we must sip air from the book’; laughing, she inserted a resonant gap into his red body, casting old bandages from her pubis, and she was radiant with tender words; they washed food in the setting sun and dragged the dead to their trees; we slept, covered in camps of mushrooms and living creatures, like the ancient mathematical brain, oblivious to the dreaded binary code and its wars . . . and sacred chiroptera cried above us, a mind erupted like a volcano

( . . .)

something changed in the book of decay as we watched a film at my mother’s flat
opposite, streams of filth flowed from the sky into a locked building.

a cry, under the helipad, below,
and my son  hammers the glass with a spoon, uttering words devoid of signs

( . . .)

fields from the placenta. tiny demon-drones suspended over stagnant water. grey cell-rooms.

a faint noise in civilian ranks;
a soldier who seized a tow boat, pure alcohol
in his throat, and Kharkiv, the aid collection point.

a women’s squat in a godforsaken town, a mouth scooping up sand instead of water;
a swarm of matter, gnawing at a symbol; a glacier’s mind freely singing the earth;
Algeria’s above the earth and the labour camps shift:

Syria’s revolution* has begun

( . . .)

the Ainu, muffled up in snowy ditches, draw the shrapnel of guns to themselves with words of a dead tongue.
my body too, tethered to a snow plough, draws itself to them.

deer covered in crude oil watch streams of water, masticating rotten grass,
when one – devoid of signs – replaces many, when shimmering flares of nations whistle above the water, vanishing in the hostile environment, then bodies are falling, growing stiff and numb.

‘we’ll go further without nations’ – a red library is burning in a hidden village. it
draws these words from within and thrusts them into the book of decay

( . . .)

what matures the night? evil that strips away age.
noise organisms hanging over destruction, devoid of signs and hidden by meaning:

all must be checked. all is approved: sated and weary from the message of the book of decay, we sleep.

my son is bound to me by the black cord of the psyche.

stars effervesce over this quarter, emitting noxious fumes,
emitting the spirits of the dead and their singed uniforms,
the skeletons of cars and old machinery hiss in the night clouds. empty information
has colonised our minds. what’s happening between flesh and blood? there is no flesh and blood. only mixed symbols, their economy, the horror of human contact, the faint jerking of places.

what makes my son so remote and forces my mother to writhe so strangely, painfully by the wall,
when the cell of a room is unlit since the bill went unpaid?

the world is shelterless now. unable to migrate, why do we wake up, why are we silent, bathing crumpled banknotes with our tears

Ontdaan van kenmerken (fragmenten)

ontdaan van kenmerken geen mannen en geen vrouwen
buiten klassen en etniciteiten

verwoeste landschappen

ontdaan van het herkenningsvermogen
begiftigd met een kortetermijngeheugen  

en de herinnerende materie die de ruimtes voedt
geïsoleerd van de lichamen die de terreinen van de nederlaag bevolken


( . . .)

dit is het boek van de teloorgang, binnen de grenzen van het geheugen gestouwd
en in de vlakte waarop de scherven van de schepping ontdaan van kenmerken gelegen zijn,
weggeblazen worden door de transfiguratiewind.

van bij de kenmerken vandaan – een moeder en een pulserende ader op haar hals.

een trage bar, de muren geverfd in het zwart.

een slaaptoestand, terwijl hij zijn gezicht afneemt dat in de muur afgebroken was; ik houd van jou ik houd van wat je doet het lichaam van je afsmijtend tegen de muur en een tweede hemel van zand opwerpend boven de woestijn van het verlangen met een blik ontdaan van kenmerken zowel overdag wanneer je even later groente spoelt onder een rode waterstraal als ’s nachts wanneer de droefenis van de beweging het leven uit ons algemene lichaam spoelt in de richting van het kwaad van de gewaarwording

( . . .)
een voetbalveld, getransfigureerd door een ontploffing;

op zijn grenzen een bijeenkomst van vrouwen rondom klinkende kegels die de aarde opblazen,

een aantal foto’s van de bijeenkomst,
erna vertoond in het hoofdgebouw onder het geraas van een traumahelikopter;

een slijmerige minuscule boekrol, en hoe die uit mij is gevallen tezamen
met de resten van de navelstreng; het is geen boekrol het is geen vrouw en het is geen lichaam,
maar dat wat kijkt naar het overblijfsel in het water door elkaar gehaald met bloed, wachtend op een belletje uit het centrum,

de buurt van de nood

( . . .)
de waterput van de ontmoeting. petroleum, de vorm van het schrift bepalend,
organische stemverbindingen stad in stad uit voortbewegend,
de slaap op industrieel linnen, de levitatie van liefde binnenin een leeg billboard;
tweetallen, op een stut bij een kiosk genageld, fluisteren, omgebogen naar de aarde;
zij flaneert, terwijl ze de aarde uitademt, haar innerlijke dorp ontdaan van rede,
waar vogels een schutting boven de rivier verheffen, slangen het moeras doen schuimen,
waar de zwamvlok over het duister van onze vormen zingt, de duizend jaar
oude computer van het bos knerpt;

cannabisreuzen op het T-shirt van een dof gemaakt lichaam; 
een jager met een lens, vermoeid door de voeding uit de buis, beweegt zich voort in de richting van de wilde houtskool, van de weerklinkende kegel van de lege groeve met de schaduwen van de werklieden, die in de richting lopen van de (moeder)melkcentrale; nieuwe energie, een nieuw parlement, een ecofascist met een elektronische pijp,
zich log haastend naar een dubbeldate in een straatcafé, veranderd door de ontploffing,
een naargeestige geweldenaar – een dichter met een roze boek, met een broek van petroleum,
in de schaduw van een verschralend bericht; een vogelskelet op de treden van een express-winkel
hulpvoorzieningen in de buurt, voorbij de buurt van de nood;
ijzeren ondergoed van vrouwen hunkerend in de buitenwijken,
heiligen met bier spelend met ballen van de herinnerende materie
op het gouden scherm zijn ze, ontdaan van kenmerken

( . . .)
wat doe je met het boek? ik eet het op, zoals jou, maak er een tussenruimte van – zoals iets wat met een afgekapte handpalm aan de muur van de grot in dialoog treedt, doorheen een brede gleuf bestraald door het ruwe licht van de zonsondergang, een sliert buisvormige haren van het bultige voorhoofd afwerpend; ‘dit is de organische chemie van het kwaad’, zei het – zich tegen de muur van het verkopende gebouw aandrukkend, de huidcape openknopend, ‘je moet lucht uit het boek verslinden’; een weerklinkende gleuf in zijn rode lichaam zettend, lachte ze, terwijl ze oude windsels van het voorhoofd afwierp en door tedere berichten oplichtte; ze wasten het eten in de zonsondergang en de doden sleepten ze weg naar hun bomen; wij sliepen, terwijl we bedekt werden door kolonies paddenstoelen en nieuwe wezens, zoals een duizend jaar oude computer die geen angst kent voor de binaire code, voor de oorlogen ervan . . . en handvleugelige heiligen schreeuwden op ons, het verstand barstte uit, als een vulkaan

( . . .)
er is iets veranderd in het boek van de teloorgang terwijl wij naar een film keken in moeders appartement
en modderstromen uit de hemel liepen op het gesloten gebouw aan de overkant;

een schreeuw onder het dek van het helikopterplatform, onderaan, 
en de zoon slaat met een lepel tegen het glas, woorden zonder kenmerken uitsprekend;

( . . .)
placentavelden, kleine drone-demonen, hangend boven het bedorven water, grijze camera’s van kamers;

onbestemd geruis in de burgerrangen;
een strijder die een oude schuit heeft ingenomen; en alcohol
in de keel; en Charkov is het hulpstation;  

een vrouwensquad in een verlaten stad, een mond die zand in plaats van water binnenkrijgt; een organische zwerm die het teken wegvreet; een gletsjerverstand dat de aarde zingt; Algerije – boven de aarde, en kolonies schuiven op:

de Syrische omwenteling is ingezet

( . . .)
Aino, omhuld door sneeuwsloten, trekken met woorden van een dode taal overblijfselen van het wapen aan,
en mijn lichaam, vastgebonden aan een sneeuwscooter, wordt ook naar hen getrokken;

herten, bedekt met petroleum, kijken naar de waterstromen, rot gras herkauwend;
wanneer er één ontdaan van kenmerken velen opmerkt, wanneer de uitbarstingen van de volkeren
suizen boven het water verdwijnend in het moeilijke milieu, en daarna de lichamen vallen, verstijvend.

‘we zullen ons verder bewegen zonder volkeren’ – de rode bibliotheek in het verborgen dorp staat in brand, uit zichzelf deze woorden persend voor het boek van de teloorgang   

( . . .)
wat maakt de nacht rijp? het kwaad dat de leeftijd afneemt.
luidruchtige organismen, hangend boven de vernietiging, van kenmerken ontdaan en met een verborgen betekenis:
alles wordt doorzien bezichtigd en alles is doorgezien: oververzadigd door een bericht uit het boek van de teloorgang slapen we;

de zoon is met mij verenigd door een zwarte gedachtestreng;

de sterren sissen boven de buurt, een giftige rook uitstotend,
een geest van doden uitstotend, hun gesinterde werkkledij,
skeletten van machines en oude werkbanken, rottend in de wolken; holle informatie heeft de gedachtegang gekoloniseerd; wat gebeurt er tussen bloedverwanten? er is geen bloedverwantschap, er zijn gemengde symbolen, hun economie, de verschrikking van de aanraking, kleine schokjes van een plaats;

wat maakt de zoon veraf en dwingt mijn moeder om zich vreemd in bochten te wringen bij de muur,
wanneer in de kamercapsule door wanbetaling geen licht is?

dakloos is de wereld geworden. waarom ontwaken wij die ontdaan zijn van de mogelijkheid tot verplaatsingen, waarom zwijgen we, met tranen gekreukeld geld overgietend.

ФРАГМЕНТЫ ИЗ ЦИКЛА «ЛИШЕННЫЕ ПРИЗНАКОВ»

лишенные признаков не мужчины и не женщины
вне классов и этносов

опустошенные ландшафты

лишенные способности узнавания
обладающие кратковременной памятью

и помнящая материя пропитывающая пространства
отъединенная от тел населяющих местности поражения


(…)

это книга упадка, загруженная в пределы памяти,
и плоскость, на которой лежат лишенные признаков осколки создания,
обдуваемые ветром преображения.

в сторону от признаков - мать, и вена пульсирующая на ее шее.

медленный бар. его стены окрашены в черное.

сонное состояние, пока он снимает лицо, прерванное в стене; я люблю тебя люблю то что ты делаешь отбрасывая тело к стене и поднимая второе небо песка над пустыней желания лишенным признаков взглядом и днем позже когда омываешь овощи под красной струей воды и ночью когда печаль движения вымывает жизнь из нашего общего тела в сторону зла восприятия

(…)
футбольное поле, преображенное взрывом;

собрание женщин на его границах  вокруг разрывающих землю звучащих конусов,

несколько снимков с собрания,
показанных после в главном здании под грохот медицинского вертолета;

слизистый крохотный свиток, и то, как он из меня выпал вместе
с остатками пуповины. это не свиток это не женщина и это не тело,
а то, что смотрит на остаток в воде вперемешку с кровью, ожидая звонок из центра,

в районе схватки 

(…)
колодец встречи. нефть, определяющая форму письма,
двигающая органику голоса из города в город,
сон на промышленном полотне, левитация любви внутри пустого билборда;
двоицы, прибитые к стойке у киоска, шепчут, пригибаясь к земле;
она фланирует, выдыхая землю, ее внутреннюю деревню лишенных рассудка,
где птицы поднимают забор над рекой, змеи вспенивают болото,
где грибница о мраке наших форм поет, скрипит
тысячелетний компьютер леса ;
исполины канабиса на футболке приглушенного тела;
охотник с линзой, утомленный питанием из трубы, движется в сторону дикого угля, звучащего конуса пустого карьера с тенями рабочих, идущих в сторону молочного пункта; новая энергия, новый парламент, экологичный фашист с электронной трубкой,
грузно спешащий  на двойное свидание в уличное кафе, измененное взрывом,
печальный насильник – поэт с розовой книгой, в штанах из нефти,
в тени иссякающего сообщения; скелет птицы на ступенях экспресс-магазина
в районе помощи, после района схватки;
железное белье женщин, скучающих на окраинах,
святые с пивом, играющие шарами помнящей материи
на золотом экране, лишенные признаков

(…)
что ты делаешь с книгой? ем, как тебя. делаю из нее промежуток,  - как нечто с обрубленной ладонью на стене пещеры вступает в диалог, озаряемое грубым светом заката через широкую щель, откидывая прядь трубчатых волос с бугристого лба; «это органика зла», - сказало оно, прижимаясь к стене продающего здания, расстегивая кожаный плащ, - «глотнуть воздуха из книги надо»;          вправляя в его красное тело звучащую щель, она смеялась, откидывая старые повязки с лобка, и светилась нежными сообщениями; они мыли еду на закате солнца, а мертвых оттаскивали к их деревьям; мы спали, покрываясь колониями грибов и новых существ, как тысячелетний компьютер, не знающий страха двоичного кода, его войны… и рукокрылые святые кричали над нами, извергался ум, как вулкан

(…)
что-то изменилось в книге упадка, пока мы смотрели фильм в квартире матери
и потоки грязи стекали с неба на закрытое здание напротив.

крик под покрытием вертолетной площадки, внизу,
и сын           ложкой стучит по стеклу, произнося слова без признаков

(…)
поля из плаценты. мелкие демоны дронов, висящие над затхлой водой. серые камеры комнат.

неопределенный шум в рядах гражданских;
комбатант, захвативший старую баржу, и спирт
в горле, и Харьков - пункт сбора помощи.

женский сквот в оставленном городе, рот, зачерпывающий песок вместо воды;
рой органики, разъедающей знак; ум ледника, выпевающий землю;
Алжир – над землей, и колонии сдвигаются:

вращение Сирии началось

(…)
айны, укутанные в снежные рвы, тянут к себе осколки оружия словами мертвого языка.
и мое тело, к снегоходу привязанное, тоже тянется к ним.

олени, покрытые нефтью, на потоки воды смотрят, пережевывая гнилую траву,
когда лишенный признаков один заменяет многих, когда вспышки народов
свистят над водой, исчезая в сложной среде, а тела после этого падают, коченея.

«без народов будем дальше двигаться» - красная библиотека в скрытой деревне горит, выталкивая из себя эти слова в книгу упадка

(…)
что делает ночь зрелой? зло, которое лишает возраста.
шумовые организмы, висящие над разрушением, признаков лишены и значением скрыты:
все просматривается и все просмотрено: пресыщенные сообщением из книги упадка, спим. 

сын соединен со мной черным жгутом мышления.

звезды шипят над районом, выпуская из себя ядовитый дым,
выпуская дух мертвых, их спёкшуюся спецодежду,
скелеты машин и старых станков, свистящие ночных в облаках. пустая информация колонизировала мышление. что происходит между родными? нет родства. есть смешанные символы, их экономика, ужас прикосновения, мелкие рывки места.

что делает сына далеким и заставляет мою мать странно корчиться у стены,
когда в капсуле комнаты отсутствует свет за неуплату?

бесприютным мир стал. лишенные возможности перемещений, зачем просыпаемся, зачем молчим, слезами заливая мятые деньги.
Close

Devoid of signs (fragments)

devoid of signs, not men not women
beyond categories and tribes

desolate landscapes

devoid of the power of recognition
their memories are short

and remembering matter impregnating spaces
disconnected from the bodies that inhabit the disaster zone


( . . .)

this is the book of decay, it loads the limits of memory,
a plane bearing the shards of creation, devoid of signs,
that are swept by the winds of transfiguration.

devoid of signs – a mother and the vein that pulses in her neck.

a small, cramped bar. its walls are painted black.

drowsing while he takes the broken face from the wall; I love you love what you do hurling your body at the wall and raising a second sky of sand above a wasteland of desire with a glance devoid of signs and the next day when you wash vegetables in a red stream of water and at night when the sorrow of movement flushes the life from our shared body towards the evil of perception

( . . .)

a football pitch transformed by a blast;

women gather at the edges around resonant craters ripping through the earth,

some photos from the gathering,
shown afterwards in the main building below the roar of an air ambulance;

a microscopic, slimy scroll and how it fell out of me together
with the remnants of the umbilical cord. it’s not a scroll not a woman not a body,
but something that looks at the remnants in the water all mixed up with blood, waiting for a call from the centre,

where scuffles break out

( . . .)

a wellspring of meetings. crude oil shaping forms of writing,
driving vocal matter from village to village,
a dream between industrial sheets, a levitation of love inside an empty billboard;
two of a kind, nailed to a stand by a kiosk, whisper, cowering near the earth;
flâneuse, she exhales earth, her inner village, stripped of reason,
where birds raise a wall o’er the river and serpents conjure foam from the mire,
where fungus roots sing of the gloom of our forms, and
the ancient mathematical brain of the forest
creaks;
giant marijuana leaves on the shirt of a deadened body;
a hunter with a lens, weary from his feeding tube, moves towards wild coal, the ringing crater of an empty mine where shadows of workers approach the milk dispenser; new energy,
new parliament, an ecological fascist with an old-school hi-fi
lumbers hastily to a double date at a bombed-out street cafe,
a miserable abuser – a poet with a pink book, in crude oil trousers,
in the shadow of dwindling communication; the skeleton of a bird on the steps of a corner shop
in the quarter of hope, near where scuffles broke out;
the iron lingerie of women who pine in the suburbs,
saints with beer, playing with balls made of memory matter
on a golden screen,
devoid of signs

( . . .)

what are you doing with that book? eating it like I eat you. making it empty space – like something with a severed palm on a cave wall that strikes up a dialogue, illumined through a gaping crack by the vulgar light of sunset, brushing a curled lock of hair from a bumpy forehead; ‘this is the stuff of evil,’ it said, nestling against the wall of the building, peeling off a leather coat, ‘we must sip air from the book’; laughing, she inserted a resonant gap into his red body, casting old bandages from her pubis, and she was radiant with tender words; they washed food in the setting sun and dragged the dead to their trees; we slept, covered in camps of mushrooms and living creatures, like the ancient mathematical brain, oblivious to the dreaded binary code and its wars . . . and sacred chiroptera cried above us, a mind erupted like a volcano

( . . .)

something changed in the book of decay as we watched a film at my mother’s flat
opposite, streams of filth flowed from the sky into a locked building.

a cry, under the helipad, below,
and my son  hammers the glass with a spoon, uttering words devoid of signs

( . . .)

fields from the placenta. tiny demon-drones suspended over stagnant water. grey cell-rooms.

a faint noise in civilian ranks;
a soldier who seized a tow boat, pure alcohol
in his throat, and Kharkiv, the aid collection point.

a women’s squat in a godforsaken town, a mouth scooping up sand instead of water;
a swarm of matter, gnawing at a symbol; a glacier’s mind freely singing the earth;
Algeria’s above the earth and the labour camps shift:

Syria’s revolution* has begun

( . . .)

the Ainu, muffled up in snowy ditches, draw the shrapnel of guns to themselves with words of a dead tongue.
my body too, tethered to a snow plough, draws itself to them.

deer covered in crude oil watch streams of water, masticating rotten grass,
when one – devoid of signs – replaces many, when shimmering flares of nations whistle above the water, vanishing in the hostile environment, then bodies are falling, growing stiff and numb.

‘we’ll go further without nations’ – a red library is burning in a hidden village. it
draws these words from within and thrusts them into the book of decay

( . . .)

what matures the night? evil that strips away age.
noise organisms hanging over destruction, devoid of signs and hidden by meaning:

all must be checked. all is approved: sated and weary from the message of the book of decay, we sleep.

my son is bound to me by the black cord of the psyche.

stars effervesce over this quarter, emitting noxious fumes,
emitting the spirits of the dead and their singed uniforms,
the skeletons of cars and old machinery hiss in the night clouds. empty information
has colonised our minds. what’s happening between flesh and blood? there is no flesh and blood. only mixed symbols, their economy, the horror of human contact, the faint jerking of places.

what makes my son so remote and forces my mother to writhe so strangely, painfully by the wall,
when the cell of a room is unlit since the bill went unpaid?

the world is shelterless now. unable to migrate, why do we wake up, why are we silent, bathing crumpled banknotes with our tears

Devoid of signs (fragments)

devoid of signs, not men not women
beyond categories and tribes

desolate landscapes

devoid of the power of recognition
their memories are short

and remembering matter impregnating spaces
disconnected from the bodies that inhabit the disaster zone


( . . .)

this is the book of decay, it loads the limits of memory,
a plane bearing the shards of creation, devoid of signs,
that are swept by the winds of transfiguration.

devoid of signs – a mother and the vein that pulses in her neck.

a small, cramped bar. its walls are painted black.

drowsing while he takes the broken face from the wall; I love you love what you do hurling your body at the wall and raising a second sky of sand above a wasteland of desire with a glance devoid of signs and the next day when you wash vegetables in a red stream of water and at night when the sorrow of movement flushes the life from our shared body towards the evil of perception

( . . .)

a football pitch transformed by a blast;

women gather at the edges around resonant craters ripping through the earth,

some photos from the gathering,
shown afterwards in the main building below the roar of an air ambulance;

a microscopic, slimy scroll and how it fell out of me together
with the remnants of the umbilical cord. it’s not a scroll not a woman not a body,
but something that looks at the remnants in the water all mixed up with blood, waiting for a call from the centre,

where scuffles break out

( . . .)

a wellspring of meetings. crude oil shaping forms of writing,
driving vocal matter from village to village,
a dream between industrial sheets, a levitation of love inside an empty billboard;
two of a kind, nailed to a stand by a kiosk, whisper, cowering near the earth;
flâneuse, she exhales earth, her inner village, stripped of reason,
where birds raise a wall o’er the river and serpents conjure foam from the mire,
where fungus roots sing of the gloom of our forms, and
the ancient mathematical brain of the forest
creaks;
giant marijuana leaves on the shirt of a deadened body;
a hunter with a lens, weary from his feeding tube, moves towards wild coal, the ringing crater of an empty mine where shadows of workers approach the milk dispenser; new energy,
new parliament, an ecological fascist with an old-school hi-fi
lumbers hastily to a double date at a bombed-out street cafe,
a miserable abuser – a poet with a pink book, in crude oil trousers,
in the shadow of dwindling communication; the skeleton of a bird on the steps of a corner shop
in the quarter of hope, near where scuffles broke out;
the iron lingerie of women who pine in the suburbs,
saints with beer, playing with balls made of memory matter
on a golden screen,
devoid of signs

( . . .)

what are you doing with that book? eating it like I eat you. making it empty space – like something with a severed palm on a cave wall that strikes up a dialogue, illumined through a gaping crack by the vulgar light of sunset, brushing a curled lock of hair from a bumpy forehead; ‘this is the stuff of evil,’ it said, nestling against the wall of the building, peeling off a leather coat, ‘we must sip air from the book’; laughing, she inserted a resonant gap into his red body, casting old bandages from her pubis, and she was radiant with tender words; they washed food in the setting sun and dragged the dead to their trees; we slept, covered in camps of mushrooms and living creatures, like the ancient mathematical brain, oblivious to the dreaded binary code and its wars . . . and sacred chiroptera cried above us, a mind erupted like a volcano

( . . .)

something changed in the book of decay as we watched a film at my mother’s flat
opposite, streams of filth flowed from the sky into a locked building.

a cry, under the helipad, below,
and my son  hammers the glass with a spoon, uttering words devoid of signs

( . . .)

fields from the placenta. tiny demon-drones suspended over stagnant water. grey cell-rooms.

a faint noise in civilian ranks;
a soldier who seized a tow boat, pure alcohol
in his throat, and Kharkiv, the aid collection point.

a women’s squat in a godforsaken town, a mouth scooping up sand instead of water;
a swarm of matter, gnawing at a symbol; a glacier’s mind freely singing the earth;
Algeria’s above the earth and the labour camps shift:

Syria’s revolution* has begun

( . . .)

the Ainu, muffled up in snowy ditches, draw the shrapnel of guns to themselves with words of a dead tongue.
my body too, tethered to a snow plough, draws itself to them.

deer covered in crude oil watch streams of water, masticating rotten grass,
when one – devoid of signs – replaces many, when shimmering flares of nations whistle above the water, vanishing in the hostile environment, then bodies are falling, growing stiff and numb.

‘we’ll go further without nations’ – a red library is burning in a hidden village. it
draws these words from within and thrusts them into the book of decay

( . . .)

what matures the night? evil that strips away age.
noise organisms hanging over destruction, devoid of signs and hidden by meaning:

all must be checked. all is approved: sated and weary from the message of the book of decay, we sleep.

my son is bound to me by the black cord of the psyche.

stars effervesce over this quarter, emitting noxious fumes,
emitting the spirits of the dead and their singed uniforms,
the skeletons of cars and old machinery hiss in the night clouds. empty information
has colonised our minds. what’s happening between flesh and blood? there is no flesh and blood. only mixed symbols, their economy, the horror of human contact, the faint jerking of places.

what makes my son so remote and forces my mother to writhe so strangely, painfully by the wall,
when the cell of a room is unlit since the bill went unpaid?

the world is shelterless now. unable to migrate, why do we wake up, why are we silent, bathing crumpled banknotes with our tears
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Hendrik Muller fonds
Lira fonds
J.E. Jurriaanse
Literature Translation Institute of Korea
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère