Poetry International Poetry International
Poem

Erín Moure

THE UNSEIZABLE ELEGY

DE ONGRIJPBARE ELEGIE

In veel grotere innigheid dan ons lot mettertijd
scheiden wij nog kussend
misschien verbonden in het scheiden dat scheidt, het af-scheid van het scheiden
voorbij aan het ene,
in de onrust van de lavaregen,

jij, die voortgaat in de grote vormenzee, die toch
je eigen zelf kent, toch
gemaakt van bestendig materiaal waarvan het mysterie mij grijpt,
het grijpt mij dat dit dood zou kunnen.
Deze gietvorm zien, zo helder als elk wezen dat zichzelf kent
waarvan het mysterie, ons zo lief, verheldert
om de ochtend te grijpen.

Waakzaam te zijn in dit gegrepen worden, met wat in ons koerst,
een gift van de sterren die intenser in ons rondtrekken
om onze adem in te gaan
met moeite terwijl mijn mij zijn verhaal begint, terwijl jij
langs het draaihek terugkeert naar je blije oase,
met moeite
materie zaaiend
terwijl mijn woorden de kwelling van afwezigheid hullen
zodat mijn hoofd niet meer zal zien.

Of zo waakzaam mogelijk te zijn, om dat wat we toch in ons voelen.
Ik zal waken, omdat wat niet meer kan worden
benoemd in het oprijzen
uit de nevelen van mogelijkheid,
maar niet meer is dan wat eigen is aan zichzelf
en onverhoeds zichzelf kent, innig verteld;
de predicaten van zijn toekomst zo krachtig op rij in het koersen dat
ons kern geeft,
Spartaans als een planeet die, gelost, zijn grootte laat tollen tegen de pitons
van gevoel en van planten,
is,
intens als kennis, als de piramide
die ons drievuldig verenigt in elke draad
opnieuw.


II

Alles is eenvoudig. Raakt aan eenvoud. Volkomen
schouwt het het onpeilbare.

Alles wordt nabij geraakt, wordt door
nabijheid geraakt, vervuld
van de tragedie van de ziener
die nooit wordt weergezien.

Alles wordt perfect geraakt
in de lente,
hoewel onaanroepbaar in deze kou, weet ik
steeds
dat het zal verrijzen uit gras dat opnieuw zal rijzen als getuige
van woorden uit monden die hen uiten,
getuigen van de innigheid der monden
welke de innerlijke bron van innigheid is,
die schuw in zich grijpt naar wat
van de aarde is,
en welke ons erin betrekt zonder te oordelen:
de oneindigheid van mijn armen die oprezen tegen de zwaartekracht

om de jouwe onvermoeibaar vast te houden
in het krachtige aanraken van de omarming,
in het mysterie van de armen volkomen sereen.


III

Hier maakt elk scheiden ons waakzaam in de meervoudigheid van jij,
als één gezaaid in de zandloper:
waar, bij elk scheiden, er ineens
het kabaal is van de val en,
daarboven, een tweemaal gevallen stilte.


IV

De stof van het onbekende maakt ons waakzaam door dit jij, al tanend,
wat wij nog niet van zijn weefsel kunnen zien
en wat het licht naar buiten slingert, onafhankelijk van onze trekken
helpt ons vruchtbaar de zaden uit te denken die wij gaan laten groeien,
want het weefsel dat ons waakzaam maakt kent
het koesteren in de greep van elk waarschuwen, elke kennis.
Ik zie hoe ik gevallen ben in dit jij
terwijl het in ons oprijst, in de tederheid van zaden
die even onbedwingbaar als geliefd zijn.


V

Als ik niet werd belazerd toen ik zulk geluk
in mij toeliet,
werd ik dan belazerd
door de verkeerde tijd te nemen voor de weidse tekens
die steen hadden doen smelten? Of
die vast in mijn armen als kwikzilver bleken
steeds opnieuw gepaard,
in spiegels verrezen?
De werking van de tijd, zo groot, beroofde mijn stem
van de omarming die hij had aangenomen,
een en al luister, een en al gloed in die dagen van oden
die ik tot haar sprak.
Zij waren voor mij de terechte verrichting van het wagen, en toch niet belazerd in
alles wat zij in mij deden gloeien,
voorbij nu, en toch gloeit er nog veel.


VI

Dus blijf ik
standvastig in wat ik ben,
mijn mond stevig in eenzaamheid, beschermd tegen kou,
terwijl ik mijn geluk aanneem
schud ik het preteritum van mij af
om me te kleden in wat vooruit ligt
in mezelf, opnieuw, wat er rechts is, en toch
links van mij, boven en toch
onder mij, wat het preteritum
bedaart het zo geruïneerde
preteritum dat mij nog lief en licht maakt:
hemel – sterren,
aarde – lucht,
schaduw – de hare, in blad gesprongen.


VII

. . . het knaagt mij te veel aan, is te asymmetrisch,
moeilijk om zorgeloos te zijn
in de sfeer van haar aanwezigheid.

Haar te zien is te staan in het lot van de zon,
haar uiteindelijke ontploffing als ster,

en onbevreesd de toename van licht in te stappen,
meer licht dan mij ooit gerust kan stellen.


VIII

Om aan onze eigen aarde te ontspringen
in het zaaien zelf van zulk licht, hoewel de winter
nu het korstmos invriest bij onze zonsopgangsoase, zal de lente
de lengte schrijven van ons lachen.

Ontspringen aan mijn eigen kern
wanneer ik, menselijk en eenzaam, word achtervolgd
door het net der liefde,
of eenvoudigweg wanneer de winter
wegvalt en de lente
de ruimte nevelt in een wijde kring
en harten innig bezaait
met de ruimte van de eigen ongrijpbare marges der liefde.
Verbazend hoe er genezing is
in de lente,
de kennis van zaden die leven spreken in het zaaien
zoals de aarde reeds van aarde spreekt.

Maar urgenter dan wat dan ook
zijn wij zaden, zijn wij
wat ronddoolt in elk scheiden nog,
en onze plek is ook in het licht dat uit ogen stroomt
of uit een veld, het veld van grassen
die zijn gegroeid voor onze ogen – wij wier onsheid
nog niet te gronde is, hoewel men zegt dat zij hardt gelijk gesmolten metalen,
want nog zaaien wij vuur met ons wezen
om ons te helpen werken in de stortvloed van het werk
op de plek van gekoesterde bevingen
waarin
ons werk nog moet worden geboren.

Urgenter dan wat dan ook
zijn wij zaden, en mede betrokken
bij het oprijzen van ons eigen zelf terwijl wij een weg naar buiten wagen
naar waar de verrukking oprijst,
naar waar het scheiden de naam van de lente draagt.
In het zijn te zijn en het fenomenale te loven, steeds weer
het fenomenale te loven.

Om al in het zijn te zijn
komen deze zaden voor ons op, ongrijpbaar
in onze eigen aarde.

THE UNSEIZABLE ELEGY

In intimacy much bigger than our destiny in time,
we part yet in kisses
perhaps bound in parting’s parting, the de-parture of parting
beyond the one,
in the disturbing rain of lava,

you, continuing in the great sea of forms, yet
knowing your own self, yet
made of enduring material whose mystery seizes me,
it seizes me that this could die.
To see this cast, as clear as any being which knows itself
whose mystery, so dear to us, comes clear
to seize morning.

To be alert in this seizure, with our inner coursing,
a gift of the stars that traverse more intensely in us
to enter our breath
strenuously as the me begins its story, as you
turn back through the turnstile to your glad oasis,
seeding matter
strenuously
as my words wrap the ache of absence
so my head will no longer see.

Or to be alert as we can, for what we yet feel inside us.
I’ll be alert, for what can no longer be
named in the uprising
from the mists of possibility,
yet is no more than what is singular in itself
and, unsuspecting, knows itself, narrated intimately;
its future predicates so powerfully arrayed in the coursing that
centres us,
spartan as a planet released to spin its size against the pitons
of feeling and of plants,
is,
intense as knowing, as the pyramid
that unites us triply in every single strand.


II

All is simple. Touches simplicity. Fully
divines the unfathomable.

All is touched closely, is touched
by closeness, filled
with the tragedy of the seer
who is never again seen.

All is touched perfectly
in spring,
though unconjurable in this cold, i
constantly know
it will arise from grass that will rise anew to witness
words from mouths that utter them,
witnesses of the mouths’ intimacy
which is intimacy’s inner well,
that in itself seizes shyly what
is of the earth,
and which implicates us without judging:
the infinity of my arms risen against gravity

to hold yours without relenting
in the embrace’s powerful touch,
fully serene in arms’ mystery.


III

Here every parting alerts us in the plurality of you,
seeded as one, in the hourglass:
where, in every parting, at once
there is the clamour of the fall and,
above it, a twice-fallen silence.


IV

The cloth of the unknown alerts us with this you, waning,
what we cannot see yet of its weave
and what spins light outward, independent of our features
helps us to think out fruitfully the seeds we will let grow,
for the weave that alerts us knows
the cherishing seized in all alerts, in all knowledge.
I see myself fallen into this you
as it arises in us, in the tenderness of seeds
irrepressible as they are beloved.


V

If i was not duped in letting such happiness
enter me,
was i then duped
mistiming the vast signs
that had melted stone? Or
that held in my embrace were just mercurial
twinned over and over,
risen in mirrors?
Time, so big, worked to deprive my voice
of the embrace it had assumed,
all lustre, all glow in those days of odes
i did speak toward her.
They were to me hazard’s just accomplishment, yet not duped in
all they set aglow in me,
now past, and yet so much is still glowing.


VI

So i remain
steadfast in what i am,
my mouth steady in solitude, shielded from cold,
assuming my own happiness
i shake off the preterit
to don what is ahead
in myself, again, what is to the right, and yet
to the left of me, above and yet
under me, placating
the preterit so ruined
preterit that still makes me sweet and light:
sky—stars,
earth—air,
shadow—hers, burst into leaf.


VII

. . . it gnaws me too much, is too asymmetrical,
hard to be insouciant
in the sphere of her presence.

To see her is to stand in the fate of the sun,
its eventual explosion as a star,

and to step with daring into the increase in light,
more light than can ever reassure me.


VIII

To spring from our own earth
in the very sowing of such light; though winter
now ices lichen at the oasis of our dawn, spring
will write the length of laughter.

Springing from my own centre
when, human and alone, i’m haunted
by the net of love,
or purely and simply when winter
falls away and spring
is misting space in a wide circle
seeding hearts intimately
with the space of love’s own unseizable margins.
Amazingly there is a cure
in spring,
the knowledge of seeds that speak life in the sowing
as earth speaks already of earth.

But more urgent than anything
we are seeds, we are
what wanders in all partings still,
and our place is also in the light that streams from eyes
or from a field, the field of grasses
grown before our eyes––us with our ourness
not yet undone, though some say it hardens as do molten metals,
yet we still sow fire with our beings
to help us work in work’s torrent
in the place of cherished tremours
in which
our work yet is to be born.

More urgent than anything
we are seeds, and implicated
in the rising of our own selves as we hazard a way outward
to where exaltation rises,
to where parting bears the name of spring.
To be in being and laud the phenomenal, again and again
laud the phenomenal.

To be yet in being
these seeds spring up for us, unseizable
in our own earth.
Close

THE UNSEIZABLE ELEGY

In intimacy much bigger than our destiny in time,
we part yet in kisses
perhaps bound in parting’s parting, the de-parture of parting
beyond the one,
in the disturbing rain of lava,

you, continuing in the great sea of forms, yet
knowing your own self, yet
made of enduring material whose mystery seizes me,
it seizes me that this could die.
To see this cast, as clear as any being which knows itself
whose mystery, so dear to us, comes clear
to seize morning.

To be alert in this seizure, with our inner coursing,
a gift of the stars that traverse more intensely in us
to enter our breath
strenuously as the me begins its story, as you
turn back through the turnstile to your glad oasis,
seeding matter
strenuously
as my words wrap the ache of absence
so my head will no longer see.

Or to be alert as we can, for what we yet feel inside us.
I’ll be alert, for what can no longer be
named in the uprising
from the mists of possibility,
yet is no more than what is singular in itself
and, unsuspecting, knows itself, narrated intimately;
its future predicates so powerfully arrayed in the coursing that
centres us,
spartan as a planet released to spin its size against the pitons
of feeling and of plants,
is,
intense as knowing, as the pyramid
that unites us triply in every single strand.


II

All is simple. Touches simplicity. Fully
divines the unfathomable.

All is touched closely, is touched
by closeness, filled
with the tragedy of the seer
who is never again seen.

All is touched perfectly
in spring,
though unconjurable in this cold, i
constantly know
it will arise from grass that will rise anew to witness
words from mouths that utter them,
witnesses of the mouths’ intimacy
which is intimacy’s inner well,
that in itself seizes shyly what
is of the earth,
and which implicates us without judging:
the infinity of my arms risen against gravity

to hold yours without relenting
in the embrace’s powerful touch,
fully serene in arms’ mystery.


III

Here every parting alerts us in the plurality of you,
seeded as one, in the hourglass:
where, in every parting, at once
there is the clamour of the fall and,
above it, a twice-fallen silence.


IV

The cloth of the unknown alerts us with this you, waning,
what we cannot see yet of its weave
and what spins light outward, independent of our features
helps us to think out fruitfully the seeds we will let grow,
for the weave that alerts us knows
the cherishing seized in all alerts, in all knowledge.
I see myself fallen into this you
as it arises in us, in the tenderness of seeds
irrepressible as they are beloved.


V

If i was not duped in letting such happiness
enter me,
was i then duped
mistiming the vast signs
that had melted stone? Or
that held in my embrace were just mercurial
twinned over and over,
risen in mirrors?
Time, so big, worked to deprive my voice
of the embrace it had assumed,
all lustre, all glow in those days of odes
i did speak toward her.
They were to me hazard’s just accomplishment, yet not duped in
all they set aglow in me,
now past, and yet so much is still glowing.


VI

So i remain
steadfast in what i am,
my mouth steady in solitude, shielded from cold,
assuming my own happiness
i shake off the preterit
to don what is ahead
in myself, again, what is to the right, and yet
to the left of me, above and yet
under me, placating
the preterit so ruined
preterit that still makes me sweet and light:
sky—stars,
earth—air,
shadow—hers, burst into leaf.


VII

. . . it gnaws me too much, is too asymmetrical,
hard to be insouciant
in the sphere of her presence.

To see her is to stand in the fate of the sun,
its eventual explosion as a star,

and to step with daring into the increase in light,
more light than can ever reassure me.


VIII

To spring from our own earth
in the very sowing of such light; though winter
now ices lichen at the oasis of our dawn, spring
will write the length of laughter.

Springing from my own centre
when, human and alone, i’m haunted
by the net of love,
or purely and simply when winter
falls away and spring
is misting space in a wide circle
seeding hearts intimately
with the space of love’s own unseizable margins.
Amazingly there is a cure
in spring,
the knowledge of seeds that speak life in the sowing
as earth speaks already of earth.

But more urgent than anything
we are seeds, we are
what wanders in all partings still,
and our place is also in the light that streams from eyes
or from a field, the field of grasses
grown before our eyes––us with our ourness
not yet undone, though some say it hardens as do molten metals,
yet we still sow fire with our beings
to help us work in work’s torrent
in the place of cherished tremours
in which
our work yet is to be born.

More urgent than anything
we are seeds, and implicated
in the rising of our own selves as we hazard a way outward
to where exaltation rises,
to where parting bears the name of spring.
To be in being and laud the phenomenal, again and again
laud the phenomenal.

To be yet in being
these seeds spring up for us, unseizable
in our own earth.

THE UNSEIZABLE ELEGY

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère