Poetry International Poetry International
Poem

Maura Dooley

The Source

DE BRON

Het is het breken van het water waarmee alles begint.

Op de vlakten van Somerset in het vroege voorjaar
zou je je dat biezen mandje voor kunnen stellen
misschien het mandje waarover je leerde op school
een vlechtwerk van twijgen en mos.
Veenmos en wollegras onder het hoofd
van het aan blauwe lucht en genade toevertrouwde kind
wiens mandje, weggestopt tussen papyrus en bijbel
blijft haken achter een braamstruik en boorden zegge
en ieder familiegeheim had kunnen zijn
dat uitgebannen wegdrijft op helder groen kroos
en het erop waagt onder wilgen en zon.

Want één is één en heel alleen
en zal dat eeuwig blijven*


In biesverlichte hutjes vlochten ze zachte matten
voor de overvolle vrouw, naar het riet gebracht
onstuitbaar als een late springvloed.
Kattenstaart als deken, gors als slaaplied.

God zei: “Het water onder de hemel
moet naar één plaats stromen,
zodat er droog land verschijnt.” En zo gebeurde het.


Het is het breken van het water waarmee alles begint.

En hier werd het water gebroken
door iets als land: de venige,
door Hollanders bewerkte weiden,
met de zachte aarde die mist zou kunnen zijn,
koeienadem op een vorstgerande morgen.
Weiden die rijzen bij dageraad
in een ordelijke opeenvolging van dampen,
lichtgevend, vreemd-glimmend, parelig.
Sloten die de bevrijde velden strepen,
een glijden van alen in hun ambergele ondiepten,
alsof ze haar als tuiertouwtjes vastzetten
de waterwereld die één wilde zijn
met de ondiepten van een Somerset-lucht.

God maakte het gewelf en scheidde het water
onder het gewelf
van het water erboven.


*

Wat gebeurt er als een bron verdroogt?

We hebben te veel genomen.
opgepompt, uitgestort
meer dan we nodig hebben en nu
in Venetië, Bangkok, Londen,
zijn we de glibberige, verzakkende plekken
van de aarde die moeten leren omgaan
met wat gegeven is.

Dit roofzuchtige, complexe zoeken naar water,
deze begerige, chaotische irrigatie
dreef bronnen weer de bodem in,
diep in het krijt,
maar het is het breken van het water waarmee alles begint.

Grond, kiezel en zand,
mergel, leem en klei waarboven
de hand met de hazelaartwijg stopt,
in de hoop die verbindingsweg te vinden
zoals een stroompje oude rots vindt,
een weg vrijmaakt door kalksteen,
iedere barst en kloof openrijt,
van elke holte een watergeul maakt,
tot vreugde van de speleologen
een grottenweb spint en daar middenin
het plotse van een bedolven rivier.

Is het, omdat het oplost in water,
kalksteen dat het enige landschap vormt
waar wij, de ongedurigen
gedurig heimwee naar hebben?**


Of is het wat ze in Wales het beste kennen?
Dit, iets dat meer is dan ziekte,
dat ik van tijd tot tijd opvang
in de wijze waarop de zee schittert
door bomen aan een kustweg,
of kalmpjes een poeltje welt
op de meent na de regen,
of de rivier, een snelle streep licht
heel even opglimt in een steegje,
alsof het hart zich in een flits herinnert
hoe we ons vroeger gedroegen,
een houding die we vergaten,
het vloeibare verschiet van hoop.

*

Wat gebeurt er als een bron verdroogt?

Soms als ik te ver weg staarde
naar beneden, naar achteren, naar binnen,
voorbij de spiegel waar Alice doorheen klom,
voorbij het starogen van Narcissus,
een mensengezicht trachtte te zien,
een of andere weerspiegeling,
iets dat zich ophield in de duistere
vochtige plekken van de geest,
kon ik terugglippen
onder de platen ijs
naar de plek waar water zingt.

Heb je het gehoord?

Daaronder zijn de diepten,
waar het duister ons blind
en lelijk maakt. Snak naar adem,
kom boven, hap naar lucht, schaats.
Schaats over, schaats door,
schaats of je leven ervan afhangt.
Want dat zijn de diepten
waar de emmer niet bij kan,
de steen die wordt neergeworpen
zonder een plons die antwoordt.

Ik wilde dat ik niet zoveel gehuild had, zei Alice . . .
Verdrinken in mijn eigen tranen!
Dat zou pas echt vreemd zijn!


Jachten, jammeren,
de indringende lucht van aarde.
Zoals de vlek op een muur
is de vlek op de geest
een langzame lekkage.
Ze hield het niet meer en barstte in huilen uit.

*

Het is het breken van het water waarmee alles begint
en het lichaam dat, net als de planeet,
voor twee derde vloeibaar is;
wat moet je anders dan treuren?
Opwellen, zo noemen we het,
wenen, snikken, onthalen,
jeremiade, elegie, requiem,
wilg, cipres, taxus.

Je moest je schamen, zei Alice…
Een grote meid als jij . . . en toch bleef ze huilen . . .
ze vergoot liters tranen totdat er
een grote vijver om haar heen lag.


Wateraders, reservoirs, hoe hun medeklinkers
wielen van het kabbelgeluid der groeiende
vastberadenheid. Onder de vlinders, de ogentroost,
de ereprijs, onder krijt en onder zandsteen,
een drup, een druk, een kracht die wordt vergaard,
als bedeesdheid die de geest aanzet, aanzet,
tot door het Boven- en het Onder-Oöliet,
het koraal- en het Lincolnshire-kalksteen,
de ril, het beekje en de waterval komen kabbelen.

*

Het is het breken van het water waarmee alles begint.

Zoals ijs dat het meer loslaat
door de tedere druk van een wilde eend
zo liet de plotse opening van dat behaaglijke bekken
je opspattend voortdrijven,
uit het warme duister de strenge duidelijkheid in,
en nu, dochter, denk aan die verloren stroom,
de stroom die werd ingebakerd en begraven
onder deze weg door de voorstad.
Zoveel opgeslagen om jou,
jou, die kalm naast me loopt
en luistert naar dat grote ruisen der rivier,
de toekomst te geven, zijn grote rumoer, ondergronds.

De Westbourne, Tyburn, Walbrook,
de Fleet, Effra, Hydeburn,***
de verborgen en ongeraden stromen
waarlangs onze voeten gaan.

Londen, waar iedere achtertuin
fonkelde, zo niet van goud, dan van slijk,
waar Trafalgar Square fonteinen schiep
uit het spatten en klokken van oude bronnen,
waar de dichtheid van spoelen en spetteren,
het vloeien en vlieten van ondiepe bronnen,
amper gepropt kon worden op een kaart
van vijfentwintig duim op één mijl.

We kunnen de loop volgen
van die oude, verloren waters
aan de hand van een straatnamenregister,
gestrand in duikers, pijpen, buizen,
– als de ingewanden van een postcode –
de arts die astma-aanvallen noteert, in de glimmende poel
van een Apple Mac, zal zien dat haar gevallen
daar worden beraamd, ademloze kussen,
langs de oevers van betonneerde beken,
De Westbourne, de Tyburn,
de Walbrook, de Fleet,
de Effra, de Hydeburn,
waarlangs onze voeten gaan.

Het is het breken van het water waarmee alles begint.

*

En is het breken van het water
als het breken van dat kleine flesje,
met zijn heilige essence,
de vier tranen van de Heilige Maagd?
Die kostbaarste fiool,
gedragen in zonneschijn, in stormlicht,
vloed, mistflard en verwarring,
door milde dagen en druilregen,
mist, hagel en motsneeuw
naar de monniken van West Minster,
dicht aan het hart gedrukt
door een jonge gelovige,
met ijskoude vingers
in koorts en bede,
een geëerde maar ten slotte gebroken schat.

Stel je voor. Het eind van de reis.

In zon gedompeld ligt hij op de Heide,
zwevend op klaver en mirte, tevreden,
een ogenblik onachtzaamheid, je zou het vreugde kunnen noemen,
en als dauw op een grasspriet
verdwijnen de vier tranen
alsof ze nooit hebben bestaan.
Dan zijn er meer tranen,
het naakte verdriet van een jongen
en misschien roept het mengen van zouten
wel de schijn van een wonder op.
Waar slechts vier druppels worden gemorst
ontstaat een verheerlijking,
een gulpen, een kracht, een vloed,
geen verheerlijking maar een magnificat,
een helende, heilige wel,
de vertroosting van de Madonna,
een remedie en dan een bezienswaardigheid,
die eerst pelgrims en dan toeristen voert
naar de befaamde bron van Hampstead.

Zo kwamen ze,
de vromen, de wanhopigen,
naar de plekken waar een verborgen ader
zo sprankelend danste dat de kleinste beroering
van welke vochtige helling dan ook de glans
en de hulp van water teweeg zou brengen.
Hier vormden ze dorpen,
vonden goden van de weggerand
of heiligen en hun verhalen
die ons allemaal beter konden maken.
Sommige waters borrelden, klaterden
en gulpten, sommige drupten of slonken
of gleden weg. Sommige werden gebroken
door iets als land: ingedamd,
begreppeld, bedijkt en drooggelegd.

Het is het breken van het water waarmee alles begint.

Kijk goed dan vind je misschien
de rand van een wel, nu verborgen
onder een weefsel van vorst,
haar mossen en slib, krukken
en votiefgiften van de honderden die kwamen
met hun bundel verdriet,
als een knoop in de kuil
van de maag en daaronder, dieper,
drie knikkende gouden hoofden.

*

Wat gebeurt er als een bron verdroogt?

Zo wil hier aan mijn deur een ramenwasser
zijn emmer met water vullen
en ik zal de emmer dragen
als die kostbaarste fiool,
een sierglas met de tranen
die de voeten van Christus wasten.
Ik zal mijn gewone kraan open slingeren,
het bezinksel van het alledaagse leven
door de afvoer gieten en het bloed
uit de gootsteen het riool in spoelen,
de vlekken van het laken,
en die heiligen aanroepen
Anne, Brigid en Winefred,
wier geloof was als kennis,
als een ontwaken, een belofte,

een plens koud water in ’t gezicht.

The Source

It is the breaking of the waters that begins it all.

On the Somerset Levels in early Spring,
you might just imagine that basket of canes,
the one perhaps you learned of in school,
an intricacy of withies and moss.
Sphagnum and cottongrass under the head
of the baby entrusted to blue sky and grace,
whose crib tucked inbetween bulrush and bible,
catches on bramble and borders of sedge
and could be any family secret
cast out to float on bright green duckweed
taking its chance under willow and sunshine.

For one is one and all alone
and evermore shall be so.


In rushlit cottages, they plaited soft mats
for the woman in spate brought to the reeds
unstoppable as a late spring-tide.
Loosestrife as blanket, bunting as lullaby.

And God said, let the waters under the heaven
be gathered together in one place,
and let the dry land appear: and it was so.


It is the breaking of the waters that begins it all.

And here the waters were broken
by something like land: the peaty,
Dutch-worked meadows,
whose soft earth could be mist,
a cow’s breath on a frost-licked morning.
Meadows that rise in dawnlight
in an orderly gradation of vapours,
luminous, shining-strange, pearly.
Rhines striping the released fields,
a slither of eels in their amber shallows,
like tiny guy ropes tethering
this waterworld that would be one,
with the shoals of a Somerset sky.

And God made the firmament, and divided the waters
which were under the firmament
from the waters which were above the firmament.


*

What does it mean when a well runs dry?

We’ve taken too much,
pumped up, poured out
more than we need and now
in Venice, Bangkok, London,
we are the slippery, subsiding places
of the earth and must learn to manage
what has been given.

This plundering mazy search for water,
this greedy, chaotic irrigation
drove springs back under,
down deep into chalk,
but it is the breaking of the waters that begins it all.

The soil, gravel, sand,
the marl, loam and clay over which
the hand with the hazelwand pauses,
hoping to find that path of connection
the way a trickle finds old rock,
clears an avenue through limestone,
forces every fracture and fissure,
makes any void a conduit for water,
spinning to the speleologists’ joy,
a cobweb of caves and at its centre,
the suddenness of a buried river.

Dissolving, as it does in water,
is it limestone that yields
the one landscape that we, the inconstant ones,
are consistently homesick for?


Or is it what the Welsh know best?
This, something more than sickness,
which I catch from time to time
in the way sea glimmers
through trees on a coastal road,
or a dewpond rises quietly
on the Common after rain,
or the river, a sudden stripe of light
is glimpsed down an alleyway,
as if the heart in a flash recalls
the way we used to behave.
a mood we forgot we knew,
the liquid landscapes of hope.

*

What does it mean when a well runs dry?

Sometimes gazing too far
downwards, backwards, inwards,
past the glass that Alice climbed through,
past the gaze of Narcissus,
struggling to see a human face,
one reflection or another,
something in the dark
damp places of the mind,
I could slip back
beneath the sheets of ice
to that space where water sings.

Have you heard it?

Underneath are the deeps,
where darkness makes us
sightless and ugly. Gasp,
come up for air, skate.
Skate over, skate across,
skate as if your life depended upon it.
For those are the depths
that the bucket cannot reach,
the stone thrown down
to no answering splash.

I wish I hadn’t cried so much, said Alice . . . . .
Being drowned in my own tears!
That
will be a queer thing to be sure!

Longing, lamentation,
the insinuating smell of mould.
Like the stain on a wall
the stain on the spirit
is a slow seepage.
She just broke down and cried.

*

It is the breaking of the waters that begins it all
and the body, like the planet,
being two-thirds liquid
what is to be done but to grieve?
Welling up, that’s what we call it,
weeping, sobbing, greeting,
threnody, elegy, requiem,
willow, cypress, yew.

You ought to be ashamed of yourself, said Alice . . .
A great girl like you . . . but she went on all the same . . .
. . . shedding gallons of tears until there was
a large pool all around her.


Aquifers, reservoirs, how their consonants
eddy with the rippling sound of purpose
gathering. Under the butterflies, the eyebright,
the speedwell, under chalk, and under sandstone,
a drip, a push, a force collecting,
like shyness pushing, pushing at the spirit,
till up through the Great and Inferior Oolites,
the Corallian and Lincolnshire Limestones,
the rill, the beck and the cataract come babbling.

*

It is the breaking of the waters that begins it all.

Like ice releasing the lake
through the tender pressure of a mallard,
so the sudden opening of that cosy reservoir
sent you splashily swimming forth,
out of warm darkness into stark difference,
and now, daughter, think of that lost stream,
the one bundled up and buried
beneath this suburban road.
So much stored up to give you,
you, walking quiet beside me,
listening to that great river rush,
the future, its big noise, under ground.

The Westbourne, Tyburn, Walbrook,
the Fleet, Effra, Hydeburn,
the hidden courses, undivined,
where our feet pass.

London, where every back yard,
sparkled, if not with gold, then with ooze,
where Trafalgar Square made fountains
from the splash and glug of ancient springs,
where the density of swash and swill,
the sluice and souse of shallow wells,
could scarcely be crammed on a map
twenty-five inch to the mile.

We can follow the course
of those old lost waters
by street names in an AtoZ,
staunched into culverts, pipes, drains,
– like the entrails of a postcode –
the doctor who notes down
asthma attacks, in the shimmering pool
of an Apple Mac, will see that her cases
are plotted there, breathless kisses,
along the banks of concreted brooks.
The Westbourne, the Tyburn,
the Walbrook, the Fleet,
the Effra, the Hydeburn,
where our feet pass.

It is the breaking of the waters that begins it all.

*

And is the breaking of the waters
like the breaking of that tiny flask,
with its sacred essence,
the four tears of the Blessed Virgin?
That most precious phial,
carried in sunshine, in stormlight,
flood, fog and fret,
through soft days and mizzle,
mist, hail and sleet
to the monks of West Minster,
held next the heart,
by a young believer,
in frost-pinched fingers,
in fever of prayer,
a treasure revered yet finally broken.

Imagine. Journey’s end.

Drenched in sun, he lies on the Heath,
floating on clover and myrtle, content,
but a second’s neglect, you might call it joy,
and like dew on a blade of grass,
the four tears vanish
as if they have never been.
There are more tears then,
a boy’s naked sorrow
and maybe it is the mingling of salts,
which draws forth a seeming miracle.
Where only four drops spilt
there’s a magnification,
a gush, a force, a spring,
not a magnification but a magnificat,
a healing holy well,
the consolation of the Madonna,
a cure and then a curiosity,
guiding first pilgrims then tourists
to the famous spa of Hampstead.

That’s how they came,
the devout, the desperate,
to the spots where a hidden source
danced so lively that the smallest stir
of any damp hillside might draw forth
the dazzle and succour of water.
Here they made villages,
found gods of the wayside
or saints and their stories
that might make us all better.
Some waters bubbled, gurgled
and gushed, some dribbled or slowed
or slithered away. Some were broken
by something like land: dammed,
ditched, diked and drained.

It is the breaking of the waters that begins it all.

Look hard you might find
the lip of a well, now hidden
beneath a cobweb of frost,
its mosses and silt, crutches
and votives of the hundreds who came
with their bundle of sorrows,
tied like a knot in the pit
of the stomach and under them, deeper,
three golden heads bobbing.

*

What does it mean when a well runs dry?

So, here at my door a window cleaner
wants to refill his bucket of water
and I will carry the pail
like that most precious phial,
a twist of glass that held the tears
that washed the feet of Christ.
I will swing open my ordinary faucet,
spill the slops of everyday life
down the drain and out to the sewers
swill the blood from the sink,
the stains from the sheet,
and call on those saints
Anne, Brigid and Winefred,
whose faith was as knowledge,
an awakening, a promise,

a splash of cold water to the face.
Close

The Source

It is the breaking of the waters that begins it all.

On the Somerset Levels in early Spring,
you might just imagine that basket of canes,
the one perhaps you learned of in school,
an intricacy of withies and moss.
Sphagnum and cottongrass under the head
of the baby entrusted to blue sky and grace,
whose crib tucked inbetween bulrush and bible,
catches on bramble and borders of sedge
and could be any family secret
cast out to float on bright green duckweed
taking its chance under willow and sunshine.

For one is one and all alone
and evermore shall be so.


In rushlit cottages, they plaited soft mats
for the woman in spate brought to the reeds
unstoppable as a late spring-tide.
Loosestrife as blanket, bunting as lullaby.

And God said, let the waters under the heaven
be gathered together in one place,
and let the dry land appear: and it was so.


It is the breaking of the waters that begins it all.

And here the waters were broken
by something like land: the peaty,
Dutch-worked meadows,
whose soft earth could be mist,
a cow’s breath on a frost-licked morning.
Meadows that rise in dawnlight
in an orderly gradation of vapours,
luminous, shining-strange, pearly.
Rhines striping the released fields,
a slither of eels in their amber shallows,
like tiny guy ropes tethering
this waterworld that would be one,
with the shoals of a Somerset sky.

And God made the firmament, and divided the waters
which were under the firmament
from the waters which were above the firmament.


*

What does it mean when a well runs dry?

We’ve taken too much,
pumped up, poured out
more than we need and now
in Venice, Bangkok, London,
we are the slippery, subsiding places
of the earth and must learn to manage
what has been given.

This plundering mazy search for water,
this greedy, chaotic irrigation
drove springs back under,
down deep into chalk,
but it is the breaking of the waters that begins it all.

The soil, gravel, sand,
the marl, loam and clay over which
the hand with the hazelwand pauses,
hoping to find that path of connection
the way a trickle finds old rock,
clears an avenue through limestone,
forces every fracture and fissure,
makes any void a conduit for water,
spinning to the speleologists’ joy,
a cobweb of caves and at its centre,
the suddenness of a buried river.

Dissolving, as it does in water,
is it limestone that yields
the one landscape that we, the inconstant ones,
are consistently homesick for?


Or is it what the Welsh know best?
This, something more than sickness,
which I catch from time to time
in the way sea glimmers
through trees on a coastal road,
or a dewpond rises quietly
on the Common after rain,
or the river, a sudden stripe of light
is glimpsed down an alleyway,
as if the heart in a flash recalls
the way we used to behave.
a mood we forgot we knew,
the liquid landscapes of hope.

*

What does it mean when a well runs dry?

Sometimes gazing too far
downwards, backwards, inwards,
past the glass that Alice climbed through,
past the gaze of Narcissus,
struggling to see a human face,
one reflection or another,
something in the dark
damp places of the mind,
I could slip back
beneath the sheets of ice
to that space where water sings.

Have you heard it?

Underneath are the deeps,
where darkness makes us
sightless and ugly. Gasp,
come up for air, skate.
Skate over, skate across,
skate as if your life depended upon it.
For those are the depths
that the bucket cannot reach,
the stone thrown down
to no answering splash.

I wish I hadn’t cried so much, said Alice . . . . .
Being drowned in my own tears!
That
will be a queer thing to be sure!

Longing, lamentation,
the insinuating smell of mould.
Like the stain on a wall
the stain on the spirit
is a slow seepage.
She just broke down and cried.

*

It is the breaking of the waters that begins it all
and the body, like the planet,
being two-thirds liquid
what is to be done but to grieve?
Welling up, that’s what we call it,
weeping, sobbing, greeting,
threnody, elegy, requiem,
willow, cypress, yew.

You ought to be ashamed of yourself, said Alice . . .
A great girl like you . . . but she went on all the same . . .
. . . shedding gallons of tears until there was
a large pool all around her.


Aquifers, reservoirs, how their consonants
eddy with the rippling sound of purpose
gathering. Under the butterflies, the eyebright,
the speedwell, under chalk, and under sandstone,
a drip, a push, a force collecting,
like shyness pushing, pushing at the spirit,
till up through the Great and Inferior Oolites,
the Corallian and Lincolnshire Limestones,
the rill, the beck and the cataract come babbling.

*

It is the breaking of the waters that begins it all.

Like ice releasing the lake
through the tender pressure of a mallard,
so the sudden opening of that cosy reservoir
sent you splashily swimming forth,
out of warm darkness into stark difference,
and now, daughter, think of that lost stream,
the one bundled up and buried
beneath this suburban road.
So much stored up to give you,
you, walking quiet beside me,
listening to that great river rush,
the future, its big noise, under ground.

The Westbourne, Tyburn, Walbrook,
the Fleet, Effra, Hydeburn,
the hidden courses, undivined,
where our feet pass.

London, where every back yard,
sparkled, if not with gold, then with ooze,
where Trafalgar Square made fountains
from the splash and glug of ancient springs,
where the density of swash and swill,
the sluice and souse of shallow wells,
could scarcely be crammed on a map
twenty-five inch to the mile.

We can follow the course
of those old lost waters
by street names in an AtoZ,
staunched into culverts, pipes, drains,
– like the entrails of a postcode –
the doctor who notes down
asthma attacks, in the shimmering pool
of an Apple Mac, will see that her cases
are plotted there, breathless kisses,
along the banks of concreted brooks.
The Westbourne, the Tyburn,
the Walbrook, the Fleet,
the Effra, the Hydeburn,
where our feet pass.

It is the breaking of the waters that begins it all.

*

And is the breaking of the waters
like the breaking of that tiny flask,
with its sacred essence,
the four tears of the Blessed Virgin?
That most precious phial,
carried in sunshine, in stormlight,
flood, fog and fret,
through soft days and mizzle,
mist, hail and sleet
to the monks of West Minster,
held next the heart,
by a young believer,
in frost-pinched fingers,
in fever of prayer,
a treasure revered yet finally broken.

Imagine. Journey’s end.

Drenched in sun, he lies on the Heath,
floating on clover and myrtle, content,
but a second’s neglect, you might call it joy,
and like dew on a blade of grass,
the four tears vanish
as if they have never been.
There are more tears then,
a boy’s naked sorrow
and maybe it is the mingling of salts,
which draws forth a seeming miracle.
Where only four drops spilt
there’s a magnification,
a gush, a force, a spring,
not a magnification but a magnificat,
a healing holy well,
the consolation of the Madonna,
a cure and then a curiosity,
guiding first pilgrims then tourists
to the famous spa of Hampstead.

That’s how they came,
the devout, the desperate,
to the spots where a hidden source
danced so lively that the smallest stir
of any damp hillside might draw forth
the dazzle and succour of water.
Here they made villages,
found gods of the wayside
or saints and their stories
that might make us all better.
Some waters bubbled, gurgled
and gushed, some dribbled or slowed
or slithered away. Some were broken
by something like land: dammed,
ditched, diked and drained.

It is the breaking of the waters that begins it all.

Look hard you might find
the lip of a well, now hidden
beneath a cobweb of frost,
its mosses and silt, crutches
and votives of the hundreds who came
with their bundle of sorrows,
tied like a knot in the pit
of the stomach and under them, deeper,
three golden heads bobbing.

*

What does it mean when a well runs dry?

So, here at my door a window cleaner
wants to refill his bucket of water
and I will carry the pail
like that most precious phial,
a twist of glass that held the tears
that washed the feet of Christ.
I will swing open my ordinary faucet,
spill the slops of everyday life
down the drain and out to the sewers
swill the blood from the sink,
the stains from the sheet,
and call on those saints
Anne, Brigid and Winefred,
whose faith was as knowledge,
an awakening, a promise,

a splash of cold water to the face.

The Source

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère