Poetry International Poetry International
Gedicht

Paul Tran

BIOLUMINESCENCE

BIOLUMINESCENTIE

Er is een duisternis zo diep onder de zee dat de wezens hun eigen licht
voortbrengen. Ik zou kunnen zeggen dat dit vermogen, dit feit van aanpassing, prachtig is

ondanks dat de wezens afzichtelijk zijn. Lantaarnvis. Bijlvis. Addervis.
Ik, net als zij, gaf schoonheid op om een glimp op te vangen van de wereld die

door eeuwige duisternis verborgen wordt. Ik leefde van vallende materie, onbewust
van waar of waarom materie viel, en van zwakkere wezens

die werden betoverd door mijn licht. Mijn afschuwelijke gezicht dat plotseling openging om
hen mee te nemen naar een duisternis, donkerder en eeuwiger dan deze onderwereld

onderwater. Ik zwom en zwom naar nergens en niets.
Na zoveel isolement, zoveel onverschilligheid, bleef ik doorgaan 

zelfs als gaan alleen maar wachten betekende, op dezelfde plaats zwevend. Zo ver beneden,
zo ver weg van de rest van leven, het aardse mogelijk gemaakt door en daardoor

afhankelijk van licht, deed ik wat ik moest doen. Ik stalkte. Ik doodde.
Ik wilde in mijn lichaam mijn lichaam aan het werk voelen, werkend om in leven 

te blijven. Ik zwom. Ik ging door. Ik wachtte. Ik vond mezelf zonder bedoeling
en zonder behoefte aan betekenis op dat moment, in de tijd, in het gezelschap van wezens die,

afgrijselijk als ik, hun eigen licht moesten zijn.  
Hun eigen god. Hun eigen ontstaan. Vaak hadden we stampei. Vaak smolten we samen

als zeeduivels. Bloed tegen bloed. Verlangen tegen verlangen. We waren wild. Verbijsterd.
Prachtig met onze wildernis en in onze wildheid. In de meest extreme omstandigheden 

bewezen we dat leven kan bestaan. Ik besta. Ik ben mijn leven, dacht ik, eindelijk
de bodem van de zee naderend. Het was niet de bodem. Het was niet de zee.

 

BIOLUMINESCENCE

There’s a dark so deep beneath the sea the creatures beget their own
light. This feat, this fact of adaptation, I could say, is beautiful

though the creatures are hideous. Lanternfish. Hatchetfish. Viperfish.
I, not unlike them, forfeited beauty to glimpse the world hidden

by eternal darkness. I subsisted on falling matter, unaware
from where or why matter fell, and on weaker creatures beguiled

by my luminosity. My hideous face opening, suddenly, to take them
into a darkness darker and more eternal than this underworld

underwater. I swam and swam toward nowhere and nothing.
I, after so much isolation, so much indifference, kept going

even if going meant only waiting, hovering in place. So far below, so far
away from the rest of life, the terrestrial made possible by and thereby

dependent upon light, I did what I had to do. I stalked. I killed.
I wanted to feel in my body my body at work, working to stay

alive. I swam. I kept going. I waited. I found myself without meaning
to, without contriving meaning at the time, in time, in the company

of creatures who, hideous like me, had to be their own illumination.
Their own god. Their own genesis. Often we feuded. Often we fused

like anglerfish. Blood to blood. Desire to desire. We were wild. Bewildered.
Beautiful in our wilderness and wildness. In the most extreme conditions

we proved that life can exist. I exist. I am my life, I thought, approaching
at last the bottom of the sea. It wasn’t the bottom. It wasn’t the sea.

Close

BIOLUMINESCENTIE

Er is een duisternis zo diep onder de zee dat de wezens hun eigen licht
voortbrengen. Ik zou kunnen zeggen dat dit vermogen, dit feit van aanpassing, prachtig is

ondanks dat de wezens afzichtelijk zijn. Lantaarnvis. Bijlvis. Addervis.
Ik, net als zij, gaf schoonheid op om een glimp op te vangen van de wereld die

door eeuwige duisternis verborgen wordt. Ik leefde van vallende materie, onbewust
van waar of waarom materie viel, en van zwakkere wezens

die werden betoverd door mijn licht. Mijn afschuwelijke gezicht dat plotseling openging om
hen mee te nemen naar een duisternis, donkerder en eeuwiger dan deze onderwereld

onderwater. Ik zwom en zwom naar nergens en niets.
Na zoveel isolement, zoveel onverschilligheid, bleef ik doorgaan 

zelfs als gaan alleen maar wachten betekende, op dezelfde plaats zwevend. Zo ver beneden,
zo ver weg van de rest van leven, het aardse mogelijk gemaakt door en daardoor

afhankelijk van licht, deed ik wat ik moest doen. Ik stalkte. Ik doodde.
Ik wilde in mijn lichaam mijn lichaam aan het werk voelen, werkend om in leven 

te blijven. Ik zwom. Ik ging door. Ik wachtte. Ik vond mezelf zonder bedoeling
en zonder behoefte aan betekenis op dat moment, in de tijd, in het gezelschap van wezens die,

afgrijselijk als ik, hun eigen licht moesten zijn.  
Hun eigen god. Hun eigen ontstaan. Vaak hadden we stampei. Vaak smolten we samen

als zeeduivels. Bloed tegen bloed. Verlangen tegen verlangen. We waren wild. Verbijsterd.
Prachtig met onze wildernis en in onze wildheid. In de meest extreme omstandigheden 

bewezen we dat leven kan bestaan. Ik besta. Ik ben mijn leven, dacht ik, eindelijk
de bodem van de zee naderend. Het was niet de bodem. Het was niet de zee.

 

BIOLUMINESCENCE

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère