Poetry International Poetry International
Gedicht

Paul Tran

Judith Slaying Holofernes: Oil on Canvas: Artemisia Gentileschi: 1620

JUDITH ONTHOOFDT HOLOFERNES: OLIEVERF OP DOEK: ARTEMISIA GENTILESCHI: 1620

Ik weet wel beter dan het huis te verlaten
              zonder mijn goede jurk. Mijn goede mes

als een kruisbeeld tussen mijn stenen borsten.
              Moeder zou me laten zwepen,

zou me op rijst laten knielen tot ik zo hard zou gillen
              dat ik de kerkklokken luidde.

Heb ik je niet verteld dat elegantie onze wraak is?
              Dat er geen slachtoffers of overwinnaars

overblijven, behalve de bitch die we benijden? Ik ben die bitch.
              Ik ben hardnekkig. Ik ben zo verdoemd

dat zelfs de dood me niet wilde. Hij stuurde me terug
              nadat je mijn lichaam had geplunderd

op de manier waarop jouw legers mijn dorp plunderden, onze
              onthoofde idolen in de rivier opgestapeld

waar onze kinderen zichzelf hebben gespietst
              op de rotsen. Ik verlaat de nacht. Ik ga je tent binnen

verguld in een straal koppig zonlicht. Mijn mouwen
              al opgerold. Ik weet dat ze zullen zeggen 

dat ik een slet ben omdat ik zoveel huid laat zien.
              De oneerbiedigheid in hoe ze naar me kijken 

terwijl ik vraag om gezien te worden. Kijk me aan. Mijn dijen
              maken zich los van jouw dijen. Mijn mond 

spuwt vergif in jouw mond. Jij hatelijke schoonheid.
              Ik ben geen beest. Toch glijdt mijn mes 

soepel door je dikke nek
              terwijl mijn dienstmeid jouw bloed van mij 

weghoudt en mijn goede jurk zal een lied zijn
              die de parochie eeuwenlang zingt. Vertel het Maria. 

Vertel het Eva. Vertel Salomé en David over mij.
              Kijk hoe hun gezichten, zoals die van jou, groen worden.

Judith Slaying Holofernes: Oil on Canvas: Artemisia Gentileschi: 1620

I know better than to leave the house
          without my good dress. My good knife

like a crucifix between my stone breasts.
          Mother would have me whipped,

would have me kneeling on rice until I shrilled
          so loud I rang the church bells.

Didn’t I tell you that elegance is our revenge?
          That there are neither victims nor victors

in the end but the bitch we envy? I am that bitch.
           I am dogged. I am so damned

not even Death wanted me. He sent me back
           after you’d sacked my body

the way your armies sacked my village, stacked
           our headless idols in the river

where our children impaled themselves
          on rocks. I exit night. I enter your tent

gilded in a bolt of stubborn sunlight. My sleeves
           already rolled up. I know they’ll say

I’m a slut for showing this much skin.
           This irreverence for what is seen

when I ask to be seen. Look at me. My thighs
           lift from your thighs. My mouth

spits poison into your mouth. You nasty beauty.
           I am no beast. Still my blade

sliding clean through your thick neck
           while my maid keeps your blood off

me and my good dress will be a song
           the parish sings for centuries. Tell Mary.

Tell Eve. Tell Salome and David about me.
           Watch their faces, like yours, turn green.

Close

JUDITH ONTHOOFDT HOLOFERNES: OLIEVERF OP DOEK: ARTEMISIA GENTILESCHI: 1620

Ik weet wel beter dan het huis te verlaten
              zonder mijn goede jurk. Mijn goede mes

als een kruisbeeld tussen mijn stenen borsten.
              Moeder zou me laten zwepen,

zou me op rijst laten knielen tot ik zo hard zou gillen
              dat ik de kerkklokken luidde.

Heb ik je niet verteld dat elegantie onze wraak is?
              Dat er geen slachtoffers of overwinnaars

overblijven, behalve de bitch die we benijden? Ik ben die bitch.
              Ik ben hardnekkig. Ik ben zo verdoemd

dat zelfs de dood me niet wilde. Hij stuurde me terug
              nadat je mijn lichaam had geplunderd

op de manier waarop jouw legers mijn dorp plunderden, onze
              onthoofde idolen in de rivier opgestapeld

waar onze kinderen zichzelf hebben gespietst
              op de rotsen. Ik verlaat de nacht. Ik ga je tent binnen

verguld in een straal koppig zonlicht. Mijn mouwen
              al opgerold. Ik weet dat ze zullen zeggen 

dat ik een slet ben omdat ik zoveel huid laat zien.
              De oneerbiedigheid in hoe ze naar me kijken 

terwijl ik vraag om gezien te worden. Kijk me aan. Mijn dijen
              maken zich los van jouw dijen. Mijn mond 

spuwt vergif in jouw mond. Jij hatelijke schoonheid.
              Ik ben geen beest. Toch glijdt mijn mes 

soepel door je dikke nek
              terwijl mijn dienstmeid jouw bloed van mij 

weghoudt en mijn goede jurk zal een lied zijn
              die de parochie eeuwenlang zingt. Vertel het Maria. 

Vertel het Eva. Vertel Salomé en David over mij.
              Kijk hoe hun gezichten, zoals die van jou, groen worden.

Judith Slaying Holofernes: Oil on Canvas: Artemisia Gentileschi: 1620

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère