Poetry International Poetry International
Gedicht

Charl-Pierre Naudé

COMMISSION

In parables
man calls his world into being
expanding first
within himself
(foot resembles hand),
then planting the fence in poles.
 
The sequins he pisses
to trace his journey, or hangs from the trees
to mark his ambit,
eventually reflect each other
like a school of fish reflects fish
should it walk the earth:
hard to say where the origin lies.
 
Here comes the wheel,
freely wheeling
seasons that never cease to roll,
quartered like neighbours
in need of each other, thus of the soul,
and by default, a symbol.
 
And gods drawn from the mountain stream
poured
into perfectly mismatched, clanging pails,
does this not provide an explanation
for uncomfortable things?
 
Henceforth a quatrain
as prescribed from Above
will plough with syll-a-bles
and be four-sided like a village plain.
 
And the double-jointed couplet?
Still a goat with horns intact
 
who yet will step within the lines
and diligently abide the civil pact.
 
The rhythms
of unearthed Greek and Roman theatres
failed to rhyme
                        with “windmills”, “union” and “hood”
were, however, understood:
Just add water
instantly
                        and put the batch in the sun, dammit.
 
The cadence and purpose of verse
(floating rigs with rudders, pennants slip-streaming the wake)
veered off course to Africa.
 
(Shame, a shipment called the villanelle –
five oars portside from the Pentateuch
and four starboard named the gospels
– God! Forever keeping the toll –
the way humanity limped
on the water, one would swear
this was faith.)
 
The epic, a wagon with oxen
that in olden days brought home the ham
was a stutterbox on the new continent
run aground on ridges
and had to be rejigged.
 
Wilderness, bush, the immeasurable. Randomly slashed. Hang on.
Seems to me here is a bit of crafted ground, yes –
 
yes: a path
and poles topped with masks
planted alongside. What does it mean? Thank God,
a small clearing and,
God’s truth (rumours were heard),
the ominous stench: a poisonous, flesh-eating,
lovely
home bloom,
 
and what protrudes – above the petalled crown –
in native truth
                                                was my own head

OPDRACHT

In gelijkenissen
brengt de mens zijn wereld tot stand,
breidt hij naar buiten uit:
eerst zichzelf ín zichzelf
(de voet lijkt immers op de hand),
en daarna planten de heiningen zich in palen voort.
 
De lovertjes die hij uitpist
als teken van zijn reis, of om in de bomen te hangen
om zijn perk af te merken,
weerspiegelen naderhand elkaar
als een school vissen zichzelf,
als ze over de aarde zouden lopen:
het is moeilijk te zeggen waar de oorsprong ligt.
 
Daar komt het wiel,
met losse handen,
zoals de seizoenen nooit ophouden aan te rollen,
in vier kwarten opgedeeld als buurmannen
die elkaar nodig hebben, en dus van de ziel,
bij verstek, een symbool zijn.
 
En de goden uit de bergstroom getapt
en overgeschonken
in volkomen ongelijke en klingelende emmers,
wel, dat is tenminste iets wat een verklaring kan bieden
voor ongemakkelijke dingen.
 
Voortaan zal een kwatrijn
volgens voorschrift van Boven
met let-ter-gre-pen ploegen,
en vier zijden hebben als een dorpsplein.
 
En het tweeledige couplet?
Dat is een bok die zijn hoorns nog heeft
 
maar die zich wel weet te gedragen
en zich gedegen aan de burgerwet houdt.
 
De ritmes
van opgediepte Romeinse en Griekse theaters
rijmden moeilijk
op “windmolens”, “unie” en “bond”;
maar waren wel begrijpelijk:
voeg er meteen
water bij
en zet die baksels in de zon, verdomd.
 
De regelmaat en functie van gedichten
(drijftuigjes met vanen, wimpels-met-kielzog)
veranderde met hun komst naar Afrika.
 
(Tjonge, een verscheepding genaamd de villanelle –
vijf spanen links uit de Pentateuch
en vier rechts de evangeliën genaamd
– God! almaar dat getel –
hoe heeft het mensdom hinkepinkend over de wateren
gelopen, je zou zweren
dat het door geloof kwam.)
 
Het epos, een ossenwagen
die vroeger het etensmandje naar huis toe bracht,
was op het nieuwe vasteland een stamelkast
die op bergranden strandde,
                                    en aangepast moest worden.
 
Wildernis, bossen, het onmetelijke. Er wordt lukraak van afgekapt. Wa-
wacht. Volgens mij zit er hier een beetje doortraptheid, ja-
 
ja: een paadje
en palen met maskers erop
ernaast geplant. Wat betekent dat? Goddank,
een stukje open terrein en,
werkelijk waar (geruchten al vernomen),
de gevaarlijke stank: een giftige, vleesetende,
lieflijke
inheemse bloem,
 
en wat steekt daar boven uit – boven de kroonfranjes –
voorwaar
mijn eigen kop

OPDRAG

In gelykenisse
bring die mens sy wêreld tot stand,
brei hy na buite uit:
eers homself ín homself
(die voet lyk mos op die hand),
en daarna word die heinings in pale voortgeplant.
 
Die blinkertjies wat hy pis
om sy reis aan te dui, of in die bome hang
om sy perk af te merk,
weerspieël naderhand mekaar
soos ’n skool visse sigself,
sou dit oor die aarde loop:
Dis moeilik om te sê waar die oorsprong lê.
 
Hier kom die wiel,
loshande,
soos die seisoene wat nooit ophou aanrol nie,
in vier kwarte opgedeel soos buurmanne
wat mekaar nodig het, en dus van die siel,
by verstek, ’n simbool is.
 
En die gode uit die bergstroom getap
en oorgeskink
in volkome ongelyke en klingelende emmers,
wel, dís mos iets wat ’n verklaring kan bied
vir ongemaklike dinge.
 
Voortaan sal ’n kwatryn
volgens voorskrif van Bo
met let-ter-gre-pe ploeë,
en vier sye hê nes ’n dorpsplein.
 
En die tweeledige koeplet?
Dis ’n bok wat nog sy horings het
 
maar hom darem kan gedra
en deeglik hou by die burgerwet.
 
Die ritmes
van opgediepte Romeinse en Griekse teaters
het moeilik gerym
met “windmeulens”, “unie” en “bond”;
was wel verstaanbaar:
Voeg net water
terstond by
en sit die baksels in die son, verdomp.
 
Die reëlmaat en funksie van gedigte
(dryftuigies met vane, wimpels-met-kielsuig)
het verander toe dit na Afrika gekom het.
 
(Siestog, ’n verskeepding genaamd die villanelle –
vyf spane links uit die Pentateug
en vier regs genoem die evangelies
– God! alewig die getel –
hoe hinkepink het die mensdom
oor die waters geloop, mens kon sweer
dit was geloof.)
 
Die epos, ’n ossewa
wat in die ou dae die kosmandjie huis toe gebring het,
was op die nuwe vasteland ’n stamelkas
wat op bergriwwe strand,
                                    en moes aangepas word.
 
Wildernis, bosse, die onmeetlike. Daar word lukraak van afgekap. Wa-
wag. Lyk my hier’s bietjie deurgetraptheid, ja-
 
ja: ’n paadjie
en pale met maskers op
langsaan geplant. Wat beteken dit? Goddank,
’n ooptetjie en,
jou werklikwaar (gerugte al gehoor),
die gevaarlike stank: ’n giftige, vleisetende,
lieflike
inheemsblom,
 
en wat is dit wat daar uitsteek – bo die kroonfrille –
voorwaar
my eie kop
 
Close

OPDRACHT

In gelijkenissen
brengt de mens zijn wereld tot stand,
breidt hij naar buiten uit:
eerst zichzelf ín zichzelf
(de voet lijkt immers op de hand),
en daarna planten de heiningen zich in palen voort.
 
De lovertjes die hij uitpist
als teken van zijn reis, of om in de bomen te hangen
om zijn perk af te merken,
weerspiegelen naderhand elkaar
als een school vissen zichzelf,
als ze over de aarde zouden lopen:
het is moeilijk te zeggen waar de oorsprong ligt.
 
Daar komt het wiel,
met losse handen,
zoals de seizoenen nooit ophouden aan te rollen,
in vier kwarten opgedeeld als buurmannen
die elkaar nodig hebben, en dus van de ziel,
bij verstek, een symbool zijn.
 
En de goden uit de bergstroom getapt
en overgeschonken
in volkomen ongelijke en klingelende emmers,
wel, dat is tenminste iets wat een verklaring kan bieden
voor ongemakkelijke dingen.
 
Voortaan zal een kwatrijn
volgens voorschrift van Boven
met let-ter-gre-pen ploegen,
en vier zijden hebben als een dorpsplein.
 
En het tweeledige couplet?
Dat is een bok die zijn hoorns nog heeft
 
maar die zich wel weet te gedragen
en zich gedegen aan de burgerwet houdt.
 
De ritmes
van opgediepte Romeinse en Griekse theaters
rijmden moeilijk
op “windmolens”, “unie” en “bond”;
maar waren wel begrijpelijk:
voeg er meteen
water bij
en zet die baksels in de zon, verdomd.
 
De regelmaat en functie van gedichten
(drijftuigjes met vanen, wimpels-met-kielzog)
veranderde met hun komst naar Afrika.
 
(Tjonge, een verscheepding genaamd de villanelle –
vijf spanen links uit de Pentateuch
en vier rechts de evangeliën genaamd
– God! almaar dat getel –
hoe heeft het mensdom hinkepinkend over de wateren
gelopen, je zou zweren
dat het door geloof kwam.)
 
Het epos, een ossenwagen
die vroeger het etensmandje naar huis toe bracht,
was op het nieuwe vasteland een stamelkast
die op bergranden strandde,
                                    en aangepast moest worden.
 
Wildernis, bossen, het onmetelijke. Er wordt lukraak van afgekapt. Wa-
wacht. Volgens mij zit er hier een beetje doortraptheid, ja-
 
ja: een paadje
en palen met maskers erop
ernaast geplant. Wat betekent dat? Goddank,
een stukje open terrein en,
werkelijk waar (geruchten al vernomen),
de gevaarlijke stank: een giftige, vleesetende,
lieflijke
inheemse bloem,
 
en wat steekt daar boven uit – boven de kroonfranjes –
voorwaar
mijn eigen kop

COMMISSION

In parables
man calls his world into being
expanding first
within himself
(foot resembles hand),
then planting the fence in poles.
 
The sequins he pisses
to trace his journey, or hangs from the trees
to mark his ambit,
eventually reflect each other
like a school of fish reflects fish
should it walk the earth:
hard to say where the origin lies.
 
Here comes the wheel,
freely wheeling
seasons that never cease to roll,
quartered like neighbours
in need of each other, thus of the soul,
and by default, a symbol.
 
And gods drawn from the mountain stream
poured
into perfectly mismatched, clanging pails,
does this not provide an explanation
for uncomfortable things?
 
Henceforth a quatrain
as prescribed from Above
will plough with syll-a-bles
and be four-sided like a village plain.
 
And the double-jointed couplet?
Still a goat with horns intact
 
who yet will step within the lines
and diligently abide the civil pact.
 
The rhythms
of unearthed Greek and Roman theatres
failed to rhyme
                        with “windmills”, “union” and “hood”
were, however, understood:
Just add water
instantly
                        and put the batch in the sun, dammit.
 
The cadence and purpose of verse
(floating rigs with rudders, pennants slip-streaming the wake)
veered off course to Africa.
 
(Shame, a shipment called the villanelle –
five oars portside from the Pentateuch
and four starboard named the gospels
– God! Forever keeping the toll –
the way humanity limped
on the water, one would swear
this was faith.)
 
The epic, a wagon with oxen
that in olden days brought home the ham
was a stutterbox on the new continent
run aground on ridges
and had to be rejigged.
 
Wilderness, bush, the immeasurable. Randomly slashed. Hang on.
Seems to me here is a bit of crafted ground, yes –
 
yes: a path
and poles topped with masks
planted alongside. What does it mean? Thank God,
a small clearing and,
God’s truth (rumours were heard),
the ominous stench: a poisonous, flesh-eating,
lovely
home bloom,
 
and what protrudes – above the petalled crown –
in native truth
                                                was my own head
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère