Poetry International Poetry International
Gedicht

Charl-Pierre Naudé

A CRACK IN THE PLASTER

Ruminating on God
one perhaps should forget
the soaring dome of truth
or the all-embracing enclosure.

Better to seek
the blinking eye
of the fine fissure
in a rockface or deep in the mind,
emanating a novel light.

Lights
singular and momentary, vanishing on water,

or a nerve hair in the inner ear,
one of many
still barely alive within a corpse,

perhaps contains particular sorts of eternity,
bigger than the universe
and more distinctly sacred
and existentially entangled
than the globe,

for within its own mathematics
each flicker of a world has its great cathedrals.

Every whirlwind carries its leaves
like the carpets of an ancient culture.

The singing shutter opening on impervious theses
is the recently paled past-tense choice.

To choose (for example)
for the sake of reflection
being surrounded by less:
It’s your birthday, and your gift is
one thing fewer, being the sum total
of one thing more.
You long for autumn
when blossoms shoot from the bud;
you look forward to no-one visiting
so that days that were unforgettable
can remain unimportant.
To not get ahead,
for the love thereof!

A little door concealed
behind the yet-unpainted painting
opens up on a stairwell
ascending to a splendid parlour where less becomes nothing
you only have to find it –
for you to be chosen
to throw open the frames at a sudden slanted angle
onto the variegated mist
molecules
(gas spacecraft)
so that protons and electrons can swarm in and plunge
and dash up like bats, like mad badminton balls
shook up out of the breathing, billowing, flea-spotted netfull
of stars outside your window.
That is but one
of many universes from the endless inner
and outer eddying patterns

on God’s sleeve; no, a very small sleeve-god himself,
coming from the fluttering clusters of peacock eyes
in wandering Paisley
and swirling cloudscapes

in the domain of the unthought.

I do not remember anymore
how I slipped through the chink,
through a crack in the plaster,
or had seen a world through smoke, in which everything floated
seismically, as before we thought it into form –

mankind being so squirmingly small,
his portrayals
on a palm-sized fragment of infinity;
on mirrored glass
he skates through space.

I walked through a forest of snow-white birches
timelessly petrified in a dead winter;
and the only monolith
not bigger than the rest,
and thus the greatest,
was named Ungod;

all four seasons were present in concert:
naked emperor peels constantly
replaced in the name of the hesitant light
stretching across an entire dead earth

while the shibboleth – absolutely the only one
(which never degenerates into sprouts)
capable of allowing a spirit into the hereafter –
was Caribou! 

A haze of gnats dance in the summer dusk on a verandah,
a spotted spray
crocheting into form;

hangs over the reed stool
like an old man getting up,

and there it “strolls” across the cool paving
like a young mother calming her baby.
It whirls in the gestalt of Ovid,

and flows into a tree, a bird,
or a godhead with a message.

The wall with its troweled riverstone
meanders past a reed bush, like a spotted leopard.

God, man, thing:
clouds moving at different speeds.

EEN SCHEUR IN HET PLEISTERWERK

Wie over God wil nadenken
doet er goed aan om de grote
waarheidskoepel te vergeten
of de omringende wand die alles omsluit.

Het is beter te zoeken
naar een spoor
van de allerkleinste scheur
in een rotsformatie of diep in het brein,
waardoorheen licht van binnenuit anders doorschijnt.

De lichten
die zonderling en ogenblikkelijk verdwijnen op water,

of het zenuwhaartje in een binnenoor,
een van de talloze
die net nog leefden in een lijk,

bevat misschien een bepaald soort eeuwigheid
die groter dan het heelal
en bepaald anders goddelijk
en bestaansgewijs implicieter is
dan de aardbol,

want bestaand binnenin zijn eigen mathesis.
Elke flitswereld kent zijn grootse kathedralen.

Elke dwarrelbries draagt zijn bladeren
als de tapijten van een oude beschaving.

Het zingende luik dat opent op onvatbare thesen
is de pas verbleekte verledentijdkeuze.

Om (bijvoorbeeld) te kiezen
voor het wonder
je met minder te omringen:
het is jouw verjaardag, en jouw geschenk is
één ding minus, het totaal
van één meer.
Je ziet uit naar de herfst
wanneer de bloesem uit de knoppen breekt;
en je ziet ernaar uit dat er niemand op bezoek komt
zodat dagen die onvergetelijk waren, onbelangrijk kunnen blijven.
Om niet vooruit te gaan,
uit liefde daarvoor!

Het deurtje verbloemd
achter het nog ongeschilderde schilderij
biedt toegang tot een trappenstelsel
dat omhoog leidt naar een praalkamer waarin minder
is dan niets, je moet het alleen zien te vinden –
wat daar is
alleen voor jou om de ramen op de veelkleurige mest-
moleculen 
(gasruimteschepen)
open te gooien tegen een onverwachte schuine hoek
zodat protonen en elektronen naar binnen kunnen zwermen en duiken 
en aanklotsen als vleermuizen, als waanzinnige pluimbalballen
opgeschud uit het ademende deinende, met vlooien bespikkelde vangnet-
met-sterren buiten je raam.
En het is slechts een
van vele heelallen uit de einderloze naar binnen
en buiten wervelende patronen

op Gods mouw; nee een hele kleine mouwgod zelf,
die aankomt uit de wapperende clusters pauwenogen
van wandelend paisley
en kolkende wolkenstelsels

in het domein van het ongedachte.

Ik herinner me niet meer
hoe ik door de kier geglipt ben,
door een scheur in het pleisterwerk;
een wereld zag door rook heen, waarin alles seismisch zwom
zoals we dat tevoren tot vastigheid hadden gedacht –

kriebelklein is de mens
en kriebelklein zijn zijn vertolkingen
op een handpalmgroot stukje eindeloosheid;
op een weerkaatsend ruitje
schaatst hij door de ruimte.

Ik liep door een woud met spierwitte berken,
tijdloos versteend in een dooie winter;
en de enige monoliet
die niet groter was dan de andere
en dus de grootste,
werd Nietgod genoemd;

alle vier de seizoenen waren tegelijk aanwezig:
blotekeizerschillen die voortdurend
in de naam van het weifelende licht vervangen werden
en zich over een gehele dode aarde uitstrekten

terwijl het sjibbolet – volstrekt het enige
(dat dus geen scheuten maakt)
dat een geest tot dit namaals kon toelaten –
Hoornhert! was.

Een zwerm mugjes danste in de zomerschemer op een veranda,
een nevel van stippeltjes
die zichzelf in vormen berispte;

daar hing hij boven de rieten stoel
zoals een oude man die opstaat,

en daar over het koele plaveisel “liep” hij
als een jonge moeder die haar baby suste.
Het warrelde tot de gestalte van Ovidius,

en vervloeide tot een boom, een vogeltje,
of een godheid met een boodschap.

De muur met zijn ingemetselde riviersteen
liep lui langs de mirte, als een gestippeld luipaard.

God, mens, ding:
wolken voortbewegend met verschillende snelheden.

’N KRAAK IN DIE PLEISTER

Om oor God te dink
moet mens dalk vergeet
van die groot waarheidskoepel
of die omvattende wand wat alles omsluit.

Beter om te soek
na die wink
van die klein-klein skeur
in ’n rotsformasie of diep in die brein,
waardeur lig van binne af ánders deurskyn.

Die ligte
wat sonderling en oombliklik verdwyn op water,

of die senuhaartjie in ’n binneoor,
een van die tallose
wat net-net nog lewe in ’n lyk,

bevat dalk ’n bepaalde soort ewigheid
wat groter as die heelal
en bepaald ánders goddelik
en bestaansgewys verwikkel is
as die aardbol,

wánt binne-in sy eie matesis.
Élke flitswêreld het sy grootse katedrale.

Elke dwarrelbries dra sy blare
soos die matte van ’n ou beskawing.

Die singende luik wat oopmaak op onvatbare tesisse
is die pas verbleikte verledetydkeuse.

Om (byvoorbeeld) te kies
vir die wonder
om met minder omring te word:
Dis jou verjaardag, en jou geskenk is
een ding minus, wat die somtotaal
van een meer is.
Jy kan nie wág vir die herfs nie
as die bloeisels uit die knop breek;
en jy sien uit dat niemand kom kuier nie
sodat dae wat onvergeetlik was, onbelangrik kan bly.
Om nie vooruit te gaan nie,
uit liefde daarvoor!

Die deurtjie verbloem
agter die skildery wat nog ongeskilderd is
maak oop op ’n trapstel
wat oploop na ’n praalkamer waarin minder
as niks is, jy moet dit net vind –
wat daar is
net vir joú om die rame op die veelkleurige mis
molekules
(gasruimteskepe)
oop te gooi teen ’n onverwagte skuinshoek
sodat protone en elektrone kan inswerm en plons
en aanklots soos vlermuise, soos waansinnige pluimbalballe
opgeskud uit die ademend deinende, vlooibespikkelde vangnet-
met-sterre buite jou venster.
En dis maar een
van vele heelalle uit die einderlose na binne
en buite werwelende patrone

op God se mou; nee ’n baie klein mougod sélf,
wat aankom uit die wapperende klusters pouoë
van wandelende Paisley
en kolkende wolkestelsels

in die domein van die ongedinkte.

Ek onthou nie meer
hoe ek deur die kier geglip het nie,
deur ’n kraak in die pleister;
of ’n wêreld deur rook gesien het, waarin alles seismies swem
soos van voor ons dit tot vastigheid gedink het –

kriewelklein is die mens
en sy vertolkings
op ’n handpalmgrootte stukkie eindeloosheid;
op ’n weerkaatste ruitjie
skaats hy deur die ruimte. 

Ek stap toe deur ’n woud spierwit berke,
tydloos versteen in ’n dooiewinter;
en die enigste monoliet
wat nie groter as die ander was nie
en dus die grootste,
is Niegod genoem;

al vier seisoene was gelyktydig aanwesig:
kaalkeiserskille wat voortdurend
in die naam van die weifelende lig vervang word
en oor ’n hele dooie aarde strek

terwyl die sjibbolet – volstrek die enigste
(dus wat nie lote maak nie)
wat ’n gees tot hierdie namaals kon toelaat –
Takbok! was.

’n Waas muggies dans in die somerskemer op ’n stoep,
’n kolletjiesproei
wat homself in vorme hekel;

daar hang dit oor die rietjiestoel
soos ’n ou man wat opstaan,

en daar oor die koel plaveisel “stap” dit
soos ’n jong ma wat haar babatjie sus.
Dit warrel in die gestalte van Ovidius,

en vervloei tot ’n boom, ’n voëltjie,
of ’n godheid met ’n boodskap.

Die muur met sy ingemesselde rivierklip
loop lui langs die mirt, soos ’n gekolde luiperd.

God, mens, ding:
wolke wat voortbeweeg teen verskillende spoed.
Close

EEN SCHEUR IN HET PLEISTERWERK

Wie over God wil nadenken
doet er goed aan om de grote
waarheidskoepel te vergeten
of de omringende wand die alles omsluit.

Het is beter te zoeken
naar een spoor
van de allerkleinste scheur
in een rotsformatie of diep in het brein,
waardoorheen licht van binnenuit anders doorschijnt.

De lichten
die zonderling en ogenblikkelijk verdwijnen op water,

of het zenuwhaartje in een binnenoor,
een van de talloze
die net nog leefden in een lijk,

bevat misschien een bepaald soort eeuwigheid
die groter dan het heelal
en bepaald anders goddelijk
en bestaansgewijs implicieter is
dan de aardbol,

want bestaand binnenin zijn eigen mathesis.
Elke flitswereld kent zijn grootse kathedralen.

Elke dwarrelbries draagt zijn bladeren
als de tapijten van een oude beschaving.

Het zingende luik dat opent op onvatbare thesen
is de pas verbleekte verledentijdkeuze.

Om (bijvoorbeeld) te kiezen
voor het wonder
je met minder te omringen:
het is jouw verjaardag, en jouw geschenk is
één ding minus, het totaal
van één meer.
Je ziet uit naar de herfst
wanneer de bloesem uit de knoppen breekt;
en je ziet ernaar uit dat er niemand op bezoek komt
zodat dagen die onvergetelijk waren, onbelangrijk kunnen blijven.
Om niet vooruit te gaan,
uit liefde daarvoor!

Het deurtje verbloemd
achter het nog ongeschilderde schilderij
biedt toegang tot een trappenstelsel
dat omhoog leidt naar een praalkamer waarin minder
is dan niets, je moet het alleen zien te vinden –
wat daar is
alleen voor jou om de ramen op de veelkleurige mest-
moleculen 
(gasruimteschepen)
open te gooien tegen een onverwachte schuine hoek
zodat protonen en elektronen naar binnen kunnen zwermen en duiken 
en aanklotsen als vleermuizen, als waanzinnige pluimbalballen
opgeschud uit het ademende deinende, met vlooien bespikkelde vangnet-
met-sterren buiten je raam.
En het is slechts een
van vele heelallen uit de einderloze naar binnen
en buiten wervelende patronen

op Gods mouw; nee een hele kleine mouwgod zelf,
die aankomt uit de wapperende clusters pauwenogen
van wandelend paisley
en kolkende wolkenstelsels

in het domein van het ongedachte.

Ik herinner me niet meer
hoe ik door de kier geglipt ben,
door een scheur in het pleisterwerk;
een wereld zag door rook heen, waarin alles seismisch zwom
zoals we dat tevoren tot vastigheid hadden gedacht –

kriebelklein is de mens
en kriebelklein zijn zijn vertolkingen
op een handpalmgroot stukje eindeloosheid;
op een weerkaatsend ruitje
schaatst hij door de ruimte.

Ik liep door een woud met spierwitte berken,
tijdloos versteend in een dooie winter;
en de enige monoliet
die niet groter was dan de andere
en dus de grootste,
werd Nietgod genoemd;

alle vier de seizoenen waren tegelijk aanwezig:
blotekeizerschillen die voortdurend
in de naam van het weifelende licht vervangen werden
en zich over een gehele dode aarde uitstrekten

terwijl het sjibbolet – volstrekt het enige
(dat dus geen scheuten maakt)
dat een geest tot dit namaals kon toelaten –
Hoornhert! was.

Een zwerm mugjes danste in de zomerschemer op een veranda,
een nevel van stippeltjes
die zichzelf in vormen berispte;

daar hing hij boven de rieten stoel
zoals een oude man die opstaat,

en daar over het koele plaveisel “liep” hij
als een jonge moeder die haar baby suste.
Het warrelde tot de gestalte van Ovidius,

en vervloeide tot een boom, een vogeltje,
of een godheid met een boodschap.

De muur met zijn ingemetselde riviersteen
liep lui langs de mirte, als een gestippeld luipaard.

God, mens, ding:
wolken voortbewegend met verschillende snelheden.

A CRACK IN THE PLASTER

Ruminating on God
one perhaps should forget
the soaring dome of truth
or the all-embracing enclosure.

Better to seek
the blinking eye
of the fine fissure
in a rockface or deep in the mind,
emanating a novel light.

Lights
singular and momentary, vanishing on water,

or a nerve hair in the inner ear,
one of many
still barely alive within a corpse,

perhaps contains particular sorts of eternity,
bigger than the universe
and more distinctly sacred
and existentially entangled
than the globe,

for within its own mathematics
each flicker of a world has its great cathedrals.

Every whirlwind carries its leaves
like the carpets of an ancient culture.

The singing shutter opening on impervious theses
is the recently paled past-tense choice.

To choose (for example)
for the sake of reflection
being surrounded by less:
It’s your birthday, and your gift is
one thing fewer, being the sum total
of one thing more.
You long for autumn
when blossoms shoot from the bud;
you look forward to no-one visiting
so that days that were unforgettable
can remain unimportant.
To not get ahead,
for the love thereof!

A little door concealed
behind the yet-unpainted painting
opens up on a stairwell
ascending to a splendid parlour where less becomes nothing
you only have to find it –
for you to be chosen
to throw open the frames at a sudden slanted angle
onto the variegated mist
molecules
(gas spacecraft)
so that protons and electrons can swarm in and plunge
and dash up like bats, like mad badminton balls
shook up out of the breathing, billowing, flea-spotted netfull
of stars outside your window.
That is but one
of many universes from the endless inner
and outer eddying patterns

on God’s sleeve; no, a very small sleeve-god himself,
coming from the fluttering clusters of peacock eyes
in wandering Paisley
and swirling cloudscapes

in the domain of the unthought.

I do not remember anymore
how I slipped through the chink,
through a crack in the plaster,
or had seen a world through smoke, in which everything floated
seismically, as before we thought it into form –

mankind being so squirmingly small,
his portrayals
on a palm-sized fragment of infinity;
on mirrored glass
he skates through space.

I walked through a forest of snow-white birches
timelessly petrified in a dead winter;
and the only monolith
not bigger than the rest,
and thus the greatest,
was named Ungod;

all four seasons were present in concert:
naked emperor peels constantly
replaced in the name of the hesitant light
stretching across an entire dead earth

while the shibboleth – absolutely the only one
(which never degenerates into sprouts)
capable of allowing a spirit into the hereafter –
was Caribou! 

A haze of gnats dance in the summer dusk on a verandah,
a spotted spray
crocheting into form;

hangs over the reed stool
like an old man getting up,

and there it “strolls” across the cool paving
like a young mother calming her baby.
It whirls in the gestalt of Ovid,

and flows into a tree, a bird,
or a godhead with a message.

The wall with its troweled riverstone
meanders past a reed bush, like a spotted leopard.

God, man, thing:
clouds moving at different speeds.
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Lira fonds
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère