Poetry International Poetry International
Gedicht

Seamus Heaney

Keeping going

Blijven gaan

1

De pijper die van verre komt ben jij
met een witkwast bij wijze van buiktas
hobbelend om je heen, een keukenstoel
ondersteboven op je schouder; je rechterarm
doet of hij de doedelzak onder je elleboog houdt;
je puilogen en bolle wangen barsten bijna
van het lachen, maar je blijft die dreun eindeloos
volhouden tussen het ademscheppen door.


2

De witkwast. Een oud ding, gebleekt en gerokt,
van achter de staldeur, dat zij tijd beidt
tot voorjaarslucht kalk in een emmer betekent
en een mengstok om het met water te roeren.
De geur bracht tranen in de ogen, wij ademen
een soort groenige brand en dachten aan zwavel.
Maar het gekluts van de eigenlijke klus,
het borstelen van muren, het waterig grijs
in brede vegen opgebracht om dan witter en witter
op te drogen, dat werkte als tovenarij.
Waar kwamen wij vandaan, wat was dat koninkrijk
waarin wij ons hersteld wisten? Onze schaduwen
bewogen op de muur en een glinsterende rand van teer
liep over de hele lengte van het huis, zwarte scheidslijn
als een pas geopende, scherp riekende loopgraaf.


3

Pis tegen de gevel en de doden komen samen.
Maar gescheiden. De vrouwen na het donker
hurken daar even voor bedtijd, de enige
tijd dat de ziel met rust werd gelaten,
de enige tijd dat gezicht en lichaam kalm
werden in het oog van de hemel.
                                                     Karnemelk en urine,
de provisiekast, de beesten op stal, de luisterende
slaapkamer. Wij waren daar allen bijeen in een voortijd,
in een weten dat zich misschien niet laat vertalen
voorbij die stormachtige nachten waarvan we nog steeds
niet weten of ze wel plaatsvonden. Het rook naar
heuvelklei en koeiemest. Toen de dorenboom werd
omgehakt brak je je arm. Ik deelde in de angst
toen een vreemde vogel dagenlang op het staldak bleef zitten.


4

Die scène met Macbeth hulpeloos en wanhopig
in zijn nachtmerrie - als hij de heksen weer ontmoet
en de verschijningen in de ketel ziet - die
kon ik wel degelijk thuisbrengen. Haardvuur,
stoom en gejoel, het rokerige haar dat over
een wang valt. `Blijf uit de buurt van slechte
jongens op die school waar je naar toe moet.
Hoor je me? Hoor je wat ik zeg? Vergeet het niet.'
En dan de pollepel die de watergruwel in beweging
bracht, de kroon van stoom, al het intieme en
met angst omzwachtelde dat heel even helder werd
en dan dof en fataal en weg.


5

Grijze materie als gruwel bevlekt met bloed
in spetters op de witkalk. Een schone plek
waar zijn hoofd was geweest, andere vlekken opgenomen
in de droge muur waar hij die ochtend met zijn rug
tegen leunde als elke andere ochtend, deeltijd-
reservist, zijn boterhamtrommeltje bij zich.
Een auto reed langzaam door de Castle-straat,
stopte even, stak het Diamond-plein over en hield
stil ter hoogte van hem, hoewel het zijn lift niet was.
En toen zag hij een gewoon gezicht aan voor wat
het was en een geweer in zijn eigen gezicht.
Zijn rechterbeen was naar achter gevouwen, zool en
hak tegen de muur, zijn rechterknie goed verankerd,
zodat hij niet bewoog, uit alle macht tegen zichzelf
aangedrukt; toen hij viel langs de geteerde strip
en de goot voederde met zijn overvloedige bloed.


6

Beste broer, je hebt een goed weerstandsvermogen.
Je blijft waar het gebeurt. Je grote trekker
verschijnt op de Diamond, je wuift naar mensen,
je schreeuwt en lacht boven de motor uit, je houdt
oude wegen open door op de nieuwe te rijden.
Je riep de buiktas van de pijper op met de witkwast,
verkleedde je en liet ons door de keuken marcheren.
Maar je kunt de doden niet laten lopen of rechtmaken
wat krom is. Ik zie je soms aan het eind van je latijn
in het melkhok, jezelf overeind houdend tussen
twee koeien tot je duizeling over is en dan
weer bijkomen bij de lucht van mest, je
afvragend of dit alles is. Zoals het was
in den beginne, zoals het nu is en zal zijn?
Dan zie ik je in je ogen wrijven en kijken naar
onze oude kwast tegen de staldeur en blijven gaan.

Keeping going

1

The piper coming from far away is you
With a whitewash brush for a sporran
Wobbling round you, a kitchen chair
Upside down on your shoulder, your right arm
Pretending to tuck the bag beneath your elbow,
Your pop-eyes and big cheeks nearly bursting
With laughter, but keeping up the drone
Interminably between catches of breath.


2

The whitewash brush. An old blanched skirted thing
On the back of the byre door, biding its time
Until spring airs spelled lime in a work-bucket
And a potstick to mix it in with water.
Those smells brought tears to the eyes, we inhaled
A kind of greeny burning and thought of brimstone.
But the slop of the actual job
Of brushing walls, the watery grey
Being lashed on in broad swatches, then drying out
Whiter and whiter, all that worked like magic.
Where had we come from, what was this kingdom
We knew we'd been restored to? Our shadows
Moved on the wall and a tar border glittered
The full length of the house, a black divide
Like a freshly-opened, pungent, reeking trench.


3

Piss at the gable, the dead will congregate.
But separately. The women after dark,
Hunkering there a moment before bedtime,
The only time the soul was let alone,
The only time that face and body calmed
In the eye of heaven.
                                                     Buttermilk and urine,
The pantry, the housed beasts, the listening bedroom.
We were all together there in a foretime,
In a knowledge that might not translate beyond
Those wind-heaved midnights we still cannot be sure
Happened or not. It smelled of hill-fort clay
And cattle dung. When the thorn tree was cut down
You broke your arm. I shared the dread
When a strange bird perched for days on the byre roof.


4

That scene, with Macbeth helpless and desperate
In his nightmare - when he meets the hags again
And sees the apparitions in the pot -
I felt at home with that one all right. Hearth,
Steam and ululation, the smoky hair
Curtaining a cheek. `Don't go near bad boys
In that college you're bound for. Do you hear me?
Do you hear me speaking to you? Don't forget.'
And then the potstick quickening the gruel,
The steam crown swirled, everything intimate
And fear-swathed brightening for a moment,
Then going dull and fatal and away.


5

Grey matter like gruel flecked with blood
In spatters on the whitewash. A clean spot
Where his head had been, other stains subsumed
In the parched wall he leant his back against
That morning just like any other morning,
Part-time reservist, toting his lunch-box.
A car came slow down Castle Street, made the halt,
Crossed the Diamond, slowed again and stopped
Level with him, although it was not his lift.
And then he saw an ordinary face
For what it was and a gun in his won face.
His right leg was hooked back, his sole and heel
Against the wall, his right knee propped up steady,
So he never moved, just pushed with all his might
Against himself, then fell past the tarred strip,
Feeding the gutter with his copious blood.


6

My dear brother, you have good stamina.
You stay on where it happens. Your big tractor
Pulls up at the Diamond, you wave at people,
You shout and laugh above the revs, you keep
Old roads open by driving on the new ones.
You called the pipers' sporrans whitewash brushes
And then dressed up and marched us through the kitchen.
But you cannot make the dead walk or right wrong.
I see you at the end of your tether sometimes,
In the milking parlour, holding yourself up
Between two cows until your turn goes past,
Then coming to to the smell of dung again
and wondering, is this all? As it was
In the beginning, is now and shall be?
Then rubbing your eyes and seeing our old brush
Up on the byre door, and keeping going.
Close

Blijven gaan

1

De pijper die van verre komt ben jij
met een witkwast bij wijze van buiktas
hobbelend om je heen, een keukenstoel
ondersteboven op je schouder; je rechterarm
doet of hij de doedelzak onder je elleboog houdt;
je puilogen en bolle wangen barsten bijna
van het lachen, maar je blijft die dreun eindeloos
volhouden tussen het ademscheppen door.


2

De witkwast. Een oud ding, gebleekt en gerokt,
van achter de staldeur, dat zij tijd beidt
tot voorjaarslucht kalk in een emmer betekent
en een mengstok om het met water te roeren.
De geur bracht tranen in de ogen, wij ademen
een soort groenige brand en dachten aan zwavel.
Maar het gekluts van de eigenlijke klus,
het borstelen van muren, het waterig grijs
in brede vegen opgebracht om dan witter en witter
op te drogen, dat werkte als tovenarij.
Waar kwamen wij vandaan, wat was dat koninkrijk
waarin wij ons hersteld wisten? Onze schaduwen
bewogen op de muur en een glinsterende rand van teer
liep over de hele lengte van het huis, zwarte scheidslijn
als een pas geopende, scherp riekende loopgraaf.


3

Pis tegen de gevel en de doden komen samen.
Maar gescheiden. De vrouwen na het donker
hurken daar even voor bedtijd, de enige
tijd dat de ziel met rust werd gelaten,
de enige tijd dat gezicht en lichaam kalm
werden in het oog van de hemel.
                                                     Karnemelk en urine,
de provisiekast, de beesten op stal, de luisterende
slaapkamer. Wij waren daar allen bijeen in een voortijd,
in een weten dat zich misschien niet laat vertalen
voorbij die stormachtige nachten waarvan we nog steeds
niet weten of ze wel plaatsvonden. Het rook naar
heuvelklei en koeiemest. Toen de dorenboom werd
omgehakt brak je je arm. Ik deelde in de angst
toen een vreemde vogel dagenlang op het staldak bleef zitten.


4

Die scène met Macbeth hulpeloos en wanhopig
in zijn nachtmerrie - als hij de heksen weer ontmoet
en de verschijningen in de ketel ziet - die
kon ik wel degelijk thuisbrengen. Haardvuur,
stoom en gejoel, het rokerige haar dat over
een wang valt. `Blijf uit de buurt van slechte
jongens op die school waar je naar toe moet.
Hoor je me? Hoor je wat ik zeg? Vergeet het niet.'
En dan de pollepel die de watergruwel in beweging
bracht, de kroon van stoom, al het intieme en
met angst omzwachtelde dat heel even helder werd
en dan dof en fataal en weg.


5

Grijze materie als gruwel bevlekt met bloed
in spetters op de witkalk. Een schone plek
waar zijn hoofd was geweest, andere vlekken opgenomen
in de droge muur waar hij die ochtend met zijn rug
tegen leunde als elke andere ochtend, deeltijd-
reservist, zijn boterhamtrommeltje bij zich.
Een auto reed langzaam door de Castle-straat,
stopte even, stak het Diamond-plein over en hield
stil ter hoogte van hem, hoewel het zijn lift niet was.
En toen zag hij een gewoon gezicht aan voor wat
het was en een geweer in zijn eigen gezicht.
Zijn rechterbeen was naar achter gevouwen, zool en
hak tegen de muur, zijn rechterknie goed verankerd,
zodat hij niet bewoog, uit alle macht tegen zichzelf
aangedrukt; toen hij viel langs de geteerde strip
en de goot voederde met zijn overvloedige bloed.


6

Beste broer, je hebt een goed weerstandsvermogen.
Je blijft waar het gebeurt. Je grote trekker
verschijnt op de Diamond, je wuift naar mensen,
je schreeuwt en lacht boven de motor uit, je houdt
oude wegen open door op de nieuwe te rijden.
Je riep de buiktas van de pijper op met de witkwast,
verkleedde je en liet ons door de keuken marcheren.
Maar je kunt de doden niet laten lopen of rechtmaken
wat krom is. Ik zie je soms aan het eind van je latijn
in het melkhok, jezelf overeind houdend tussen
twee koeien tot je duizeling over is en dan
weer bijkomen bij de lucht van mest, je
afvragend of dit alles is. Zoals het was
in den beginne, zoals het nu is en zal zijn?
Dan zie ik je in je ogen wrijven en kijken naar
onze oude kwast tegen de staldeur en blijven gaan.

Keeping going

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère