Poetry International Poetry International
Gedicht

Bakhyt Kenzjejev

В замочной скважине колеблющийся свет,

Light trembles in the keyhole. The blessed man
fingers a piece of bread. The lingering smell
of death, medicinal and acrid. An urchin,

passing by, peeks in and strains to grasp
the scraps of the ongoing conversation
between the thirteen vagabonds who

look alarmed, as if expecting something
unfathomable. To the boy their words
sound dark and most confusing.

“Yes, Thomas?” “Teacher, what is fear?
Will the fateful axe strike every man?”
“No, faith and answer are as tree and dust,

as olive, cloud, she-bear, and sequoia.”
“More of your fables?” The pupils, their backs
to the fire, look somber. “If you’d only promise

that if we partake of your blood, then we also will
come from the dead, like you . . .” “I promised that.”
Another one with a groan gets up and raises

his piteous cup. The Milky Way glows overhead.
The child grows weary and walks away
from the cypress door, from life eternal:

it’s time, his parents wait for him. Not a soul
in the Gethsemane garden. Remnants of the Temple.
Ages ahead. A glance at the half-ruined sky

instills no fear at all. Dogs bark. The midnight
sentinels’ armor jangles like copper coins
in a beggar’s pocket. All of it is true:

young wine should not be poured into old skins,
swords cannot sever water, and stubborn time
draws closer to the end, it churns, it changes

its mortal forms, by now in every sense
resembling a thorny crown upon the head
of the increasingly decrepit Universe.

В замочной скважине колеблющийся свет,

Een flakkerlichtje door het kleine sleutelgat,
een heiligman plukt aan het zachte brood,
en riekt naar dood, naar bitter, heilzaam heengaan.

Een haveloze jongen kijkt en spitst de oren,
probeert iets te begrijpen van de losse flarden
van het gesprek van dertien zwervers. Ze

zijn opgewonden, net alsof ze iets verwachten,
iets ongehoords. En eerlijk waar, het moet gezegd,
geen touw aan vast te knopen aan hun woorden.

‘Wat zeg je tot ons, Thomas?’ ‘Meester, wat is angst?
Valt elk van ons dan door het noodlotszwaard?’
‘Nee, want geloof en antwoord zijn als hout en stof,

olijfboom, wolkenkleed, berin, sequoia.’ ‘Weer een
gelijkenis?’ Ze zitten met hun rug naar het vuur,
de leerlingen, er kan geen lachje af. ‘Indien

je vast belooft dat na het proeven van jouw bloed
wij net als jij weer opstaan uit de dood…’
‘Het is beloofd.’ Een lotgenoot staat op, hij kreunt

en heft zijn schamel glas. De Melkweg schijnt.
Het kind heeft er genoeg van en verlaat de deur
van teer cipressenhout en van het eeuwig leven.

Het is zijn tijd – zijn vader en zijn moeder wachten.
Verlaten is de Hof. Ruïnes van de tempel.
Nog zo veel jaren voor de boeg. Totaal niet eng

om naar de half verwoeste lucht te kijken.
Een hond die blaft. De wapenrusting rinkelt,
van de bewakers van de nacht, als kopergeld,

in de jaszak van een bedelaar. Zoals je jonge wijn
niet in verweerde zakken doet, zoals je water
niet met een zwaard kunt klieven, zo naakt het eind

van een halsstarrig tijdsgewricht – ziedend,
het sterfelijk aangezicht veranderend – gelijk
een doornenkroon op het zieltogende heelal.

В замочной скважине колеблющийся свет,

Close

В замочной скважине колеблющийся свет,

Een flakkerlichtje door het kleine sleutelgat,
een heiligman plukt aan het zachte brood,
en riekt naar dood, naar bitter, heilzaam heengaan.

Een haveloze jongen kijkt en spitst de oren,
probeert iets te begrijpen van de losse flarden
van het gesprek van dertien zwervers. Ze

zijn opgewonden, net alsof ze iets verwachten,
iets ongehoords. En eerlijk waar, het moet gezegd,
geen touw aan vast te knopen aan hun woorden.

‘Wat zeg je tot ons, Thomas?’ ‘Meester, wat is angst?
Valt elk van ons dan door het noodlotszwaard?’
‘Nee, want geloof en antwoord zijn als hout en stof,

olijfboom, wolkenkleed, berin, sequoia.’ ‘Weer een
gelijkenis?’ Ze zitten met hun rug naar het vuur,
de leerlingen, er kan geen lachje af. ‘Indien

je vast belooft dat na het proeven van jouw bloed
wij net als jij weer opstaan uit de dood…’
‘Het is beloofd.’ Een lotgenoot staat op, hij kreunt

en heft zijn schamel glas. De Melkweg schijnt.
Het kind heeft er genoeg van en verlaat de deur
van teer cipressenhout en van het eeuwig leven.

Het is zijn tijd – zijn vader en zijn moeder wachten.
Verlaten is de Hof. Ruïnes van de tempel.
Nog zo veel jaren voor de boeg. Totaal niet eng

om naar de half verwoeste lucht te kijken.
Een hond die blaft. De wapenrusting rinkelt,
van de bewakers van de nacht, als kopergeld,

in de jaszak van een bedelaar. Zoals je jonge wijn
niet in verweerde zakken doet, zoals je water
niet met een zwaard kunt klieven, zo naakt het eind

van een halsstarrig tijdsgewricht – ziedend,
het sterfelijk aangezicht veranderend – gelijk
een doornenkroon op het zieltogende heelal.

В замочной скважине колеблющийся свет,

Light trembles in the keyhole. The blessed man
fingers a piece of bread. The lingering smell
of death, medicinal and acrid. An urchin,

passing by, peeks in and strains to grasp
the scraps of the ongoing conversation
between the thirteen vagabonds who

look alarmed, as if expecting something
unfathomable. To the boy their words
sound dark and most confusing.

“Yes, Thomas?” “Teacher, what is fear?
Will the fateful axe strike every man?”
“No, faith and answer are as tree and dust,

as olive, cloud, she-bear, and sequoia.”
“More of your fables?” The pupils, their backs
to the fire, look somber. “If you’d only promise

that if we partake of your blood, then we also will
come from the dead, like you . . .” “I promised that.”
Another one with a groan gets up and raises

his piteous cup. The Milky Way glows overhead.
The child grows weary and walks away
from the cypress door, from life eternal:

it’s time, his parents wait for him. Not a soul
in the Gethsemane garden. Remnants of the Temple.
Ages ahead. A glance at the half-ruined sky

instills no fear at all. Dogs bark. The midnight
sentinels’ armor jangles like copper coins
in a beggar’s pocket. All of it is true:

young wine should not be poured into old skins,
swords cannot sever water, and stubborn time
draws closer to the end, it churns, it changes

its mortal forms, by now in every sense
resembling a thorny crown upon the head
of the increasingly decrepit Universe.
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère