Poetry International Poetry International
Gedicht

Tonnus Oosterhoff

A bird likes singing.

A bird likes singing. R. likes singing. He wakes up with a sore throat and spends ages saying
to whoever wants to hear it (but there is no-one at home): ‘So it turned out he had
throat cancer! Throat cancer after all! O yes, throat cancer! So young and throat cancer.
You’ve got to give it to him. Throat cancer. Turned out to be throat cancer. Best for it,
that it was throat cancer. Still, throat cancer. Did you say throat cancer? That he would
be the first to go – never have guessed it. No. Who would have? Never smoked or
nothing. Oesophagus, no, throat cancer. O what a shock. O what a terrible shock also
for his surroundings. Also for his parents. They’re gutted. Understandably. He could
sing so beautifully. A strange voice. But nice. Now it’s too late you can understand the
strangeness of it much better. Throat cancer, imagine? Throat cancer! All that time it
was throat cancer! But soldiering on at work. Always tired, but why? Now I
understand. There, on his breast bone, that throat cancer had already taken hold. Did
you say throat cancer? Yes, I did! Throat cancer!’
And so on. As a bird. In full morning song.

Een vogel houdt van zingen. R houdt van zingen. Hij wordt wakker met keelpijn en zegt lange

Een vogel houdt van zingen. R houdt van zingen. Hij wordt wakker met keelpijn en zegt lange
tijd tegen wie het maar horen wil (maar er is niemand in huis): ‘Had hij toch keelkanker!
bleek het toch keelkanker! Keelkanker! Jazekerkeelkanker! Zo jong en keelkanker. Ik geef
het je te doen. Keelkanker. Had hij me daar keelkanker! Mooi dat het keelkanker was.
Evengoed keelkanker. Zei je nou keelkanker. Dat hij als eerste ging, dat had ik niet
verwacht. Nee. Wie verwacht zo iets? Nooit niet gerookt of niks. Slokdarm-, nee,
keelkanker. O wat een schrik. O wat een schrik, ook voor zijn omgeving. Ook voor zijn
ouders. Die zijn er kapot van. Dat kun je begrijpen. Hij kon zo mooi zingen. Een vreemde
stem. Wel mooi. Maar nu het te laat is begrijp je dat vreemde veel beter. Keelkanker, hè?
Keelkanker! Al die tijd keelkanker! Maar dapper doorwerken. Altijd moe, maar waarom? Nu
begrijp ik het. Daar, op zijn borstbeen, zat al die keelkanker. Zei je nou keelkanker? Ja
precies! Keelkanker!’
En zo voort. Als een vogel. Het hoogste lied.
Close

Een vogel houdt van zingen. R houdt van zingen. Hij wordt wakker met keelpijn en zegt lange

Een vogel houdt van zingen. R houdt van zingen. Hij wordt wakker met keelpijn en zegt lange
tijd tegen wie het maar horen wil (maar er is niemand in huis): ‘Had hij toch keelkanker!
bleek het toch keelkanker! Keelkanker! Jazekerkeelkanker! Zo jong en keelkanker. Ik geef
het je te doen. Keelkanker. Had hij me daar keelkanker! Mooi dat het keelkanker was.
Evengoed keelkanker. Zei je nou keelkanker. Dat hij als eerste ging, dat had ik niet
verwacht. Nee. Wie verwacht zo iets? Nooit niet gerookt of niks. Slokdarm-, nee,
keelkanker. O wat een schrik. O wat een schrik, ook voor zijn omgeving. Ook voor zijn
ouders. Die zijn er kapot van. Dat kun je begrijpen. Hij kon zo mooi zingen. Een vreemde
stem. Wel mooi. Maar nu het te laat is begrijp je dat vreemde veel beter. Keelkanker, hè?
Keelkanker! Al die tijd keelkanker! Maar dapper doorwerken. Altijd moe, maar waarom? Nu
begrijp ik het. Daar, op zijn borstbeen, zat al die keelkanker. Zei je nou keelkanker? Ja
precies! Keelkanker!’
En zo voort. Als een vogel. Het hoogste lied.

A bird likes singing.

A bird likes singing. R. likes singing. He wakes up with a sore throat and spends ages saying
to whoever wants to hear it (but there is no-one at home): ‘So it turned out he had
throat cancer! Throat cancer after all! O yes, throat cancer! So young and throat cancer.
You’ve got to give it to him. Throat cancer. Turned out to be throat cancer. Best for it,
that it was throat cancer. Still, throat cancer. Did you say throat cancer? That he would
be the first to go – never have guessed it. No. Who would have? Never smoked or
nothing. Oesophagus, no, throat cancer. O what a shock. O what a terrible shock also
for his surroundings. Also for his parents. They’re gutted. Understandably. He could
sing so beautifully. A strange voice. But nice. Now it’s too late you can understand the
strangeness of it much better. Throat cancer, imagine? Throat cancer! All that time it
was throat cancer! But soldiering on at work. Always tired, but why? Now I
understand. There, on his breast bone, that throat cancer had already taken hold. Did
you say throat cancer? Yes, I did! Throat cancer!’
And so on. As a bird. In full morning song.
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère