Poetry International Poetry International
Gedicht

Ada Limón

A GOOD STORY

EEN GOED VERHAAL

Sommige dagen – de gootsteen vol vaat, de salontafel bedolven onder boeken –
zijn zwaarder dan andere. Vandaag heb ik een hoofd vol kakkerlakken, 

het duizelt en alles doet me zeer. Vergif in de kaken, achter de ogen,
tussen de schouderbladen. Toch snurkt de hond rechts van me, de kat, links. 

Buiten is de massa judasbomen bijna op zijn mooist. Ik zeg tegen een vriendin, Het lichaam
is zo lichamelijk. En ze knikt. Vroeger hield ik van de meest duistere verhalen, de barre 

flarden die iemand eruit kon flappen over hoe erg het weleens wordt.
Mijn stiefvader vertelde me eens een verhaal over zijn tijd op straat als jongen, 

dat hij ’s nachts soms onder de grillplaat in een fastfoodrestaurant sliep tot
hij en zijn maat werden ontslagen. Ik hield van dat verhaal, waarom weet ik niet, 

iets in mij geloofde in het overwinnen van obstakels. Maar op dit moment snak ik alleen
naar een verhaal over het goede in mensen, zoals de keer dat, toen ik maar niet ophield 

met huilen omdat ik vijftien was en mijn hart gebroken, hij binnenkwam en me
een kleine pizza voerde die hij in ministukjes had gesneden, tot mijn tranen droogden. 

Misschien had ik gewoon honger, zei ik. En hij knikte, het laatste stukje in zijn uitgestoken hand.

A GOOD STORY

Some days—dishes piled in the sink, books littering the coffee table—
are harder than others. Today, my head is packed with cockroaches, 

dizziness and everywhere it hurts. Venom in the jaw, behind the eyes,
between the blades. Still, the dog is snoring on my right, the cat, on my left. 

Outside, all those redbuds are just getting good. I tell a friend, The body
is so body. And she nods. I used to like the darkest stories, the bleak 

snippets someone would toss out about just how bad it could get.
My stepfather told me a story about when he lived on the streets as a kid, 

how he’d, some nights, sleep under the grill at a fast food restaurant until
both he and his buddy got fired. I used to like that story for some reason, 

something in me that believed in overcoming. But right now all I want
is a story about human kindness, the way once when I couldn’t stop 

crying because I was fifteen and heartbroken, he came in and made
me eat a small pizza he’d cut up into tiny bites until the tears stopped. 

Maybe I was just hungry, I said. And he nodded, holding out the last piece.

Close

EEN GOED VERHAAL

Sommige dagen – de gootsteen vol vaat, de salontafel bedolven onder boeken –
zijn zwaarder dan andere. Vandaag heb ik een hoofd vol kakkerlakken, 

het duizelt en alles doet me zeer. Vergif in de kaken, achter de ogen,
tussen de schouderbladen. Toch snurkt de hond rechts van me, de kat, links. 

Buiten is de massa judasbomen bijna op zijn mooist. Ik zeg tegen een vriendin, Het lichaam
is zo lichamelijk. En ze knikt. Vroeger hield ik van de meest duistere verhalen, de barre 

flarden die iemand eruit kon flappen over hoe erg het weleens wordt.
Mijn stiefvader vertelde me eens een verhaal over zijn tijd op straat als jongen, 

dat hij ’s nachts soms onder de grillplaat in een fastfoodrestaurant sliep tot
hij en zijn maat werden ontslagen. Ik hield van dat verhaal, waarom weet ik niet, 

iets in mij geloofde in het overwinnen van obstakels. Maar op dit moment snak ik alleen
naar een verhaal over het goede in mensen, zoals de keer dat, toen ik maar niet ophield 

met huilen omdat ik vijftien was en mijn hart gebroken, hij binnenkwam en me
een kleine pizza voerde die hij in ministukjes had gesneden, tot mijn tranen droogden. 

Misschien had ik gewoon honger, zei ik. En hij knikte, het laatste stukje in zijn uitgestoken hand.

A GOOD STORY

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Lira fonds
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère