Poetry International Poetry International
Gedicht

Hugo Claus

WHAT TO SPEAK ABOUT

What to speak about tonight? And preach
in a land we recognise, tolerate,
seldom forget.
That country with its droll beginnings,
its clammy climate, its sapless stories
about the old days,
its inhabitants, greedy till their final fall
among the cauliflowers.
They keep on multiplying
in a paradise of their own imagining,
hankering for happiness, shivering, mouths full of porridge.
Just as in nature
which depilates our puny hills,
scorches our pastures, poisons our air,
the guileless cows graze on.

Speak about the writings of this land,
printed matter full of question marks
on the patient paper
that time and again is shocked by its history
and so resorts to concealing shorthand.
Speak about the curtains
that people draw around themselves.
But still we hear them, the stinking
primates that stalk each other in rooms.
Just as in nature
the hibiscus gives off no scent,
that the innocent cows do, becoming bogged
in the piss-logged earth.

Speak in that land of glittering grass
in which man,
intemperate worm, dreaming carcass,
dwells among the corpses which dead as they are
remain obedient to our memory.
Just as our nature expects a single,
simple miracle that one day will finally
explain what we were,
not only this remote spectacle
thrown together by time.

Speak about that time which, they said,
would mark as a brand and palimpsest?
We lived in an aged of using
and being usable.
What defence against such?
What festive arse-feathers?
What cellar song? Perhaps.
Say it. Perhaps.
A few swift scratches in slate
and that’s the outline of your love.
Fingerprints in the clay are her hips.
Phonemes of joy sometimes sounded
if she, when she, called you like a cat.

Speaking about her presence
wakens the blue hour of twilight.
Just as in nature
the merciless, glassy, blue azure
of our planet seen from Apollo.

And though from simply speaking
your festive cap begins to feel heavy
and the lifeline in your palm
starts festering
still, notwithstanding, nevertheless
honour the flowering
of the shadows that inhabit us,
the shadows begging for consolation.
And still stroke her shoulder blade.
Like the back of a hunchback
Still hankering for a ferocious happiness.

Waarover spreken

Waarover spreken

Waarover vanavond spreken? En spreken
in een land dat wij herkennen, dulden,
zelden vergeten.
Dat land met zijn koddige genesis,
zijn klam klimaat, zijn voze verhalen
over vroeger,
zijn bewoners, hebberig tot hun laatste val
tussen de bloemkolen.
Zij blijven zich vermenigvuldigen
in een paradijs dat zij verzinnen,
tuk op geluk, sidderend, pap in de mond.
Zoals in de natuur
die onze ondermaatse heuvels onthaart,
onze weiden verschroeit, onze lucht vergast,
de argeloze koeien blijven grazen.

Spreken over de geschriften van dit land,
drukwerk vol vraagtekens
op het geduldig papier
dat steeds opnieuw schrikt van zijn historie
en daarvoor vlucht in verhullend snelschrift.
Spreken over de overgordijnen
die men dichttrekt over zichzelf.
Maar wij blijven ze horen, de stinkende
primaten die elkaar in kamers belagen.
Zoals in de natuur
de hibiscus geen geur verspreidt,
dat doen de schuldeloze koeien die zakken
in de doorzeken aarde.

Spreken in dat land van glinsterend gras
waarin de mens,
onmatige worm, dromend karkas,
verwijlt tussen de lijken die dood als zij zijn
blijven gehoorzamen aan onze herinnering.
Zoals onze natuur een enkel, enkelvoudig
mirakel verwacht dat ooit uiteindelijk
zal verhelderen wat men was,
niet alleen dit aftands spektakel
ineengeflanst door de tijd.

Spreken over die tijd die, zei men,
zou beklijven als brandmerk en palimpsest?
Wij leefden in een tijd van verbruiken
en bruikbaar zijn.
Welk verweer daartegenover?
Welke feestelijke veren in de kont?
Welk liedje in de kelder? Misschien.
Zeg het. Misschien.
Een paar krassen in leisteen
en dat is dan de omtrek van je geliefde.
Vingerafdrukken in klei zijn dan haar heupen.
Fonemen van vreugde weerklonken soms
als zij, toen zij, naar jou riep als een kat.

Spreken over haar aanwezigheid
wekt het blauw uur van de schemer.
Zoals in de natuur
het ongenadig, glazig, blauw azuur
van onze planeet gezien vanuit Apollo.

En al begint van louter spreken
je feestmuts zwaar te wegen
en begint de levenslijn in je handpalm
te verzweren
toch, niettegenstaande, desalniettemin
de bloei vereren
van de schaduwen die ons bevolken,
de schaduwen die bedelen om troost.
En toch haar schouderblad strelen.
Als de rug van een bultenaar.
Toch tuk op een wreedaardig geluk.
Hugo Claus

Hugo Claus

(België, 1929 - 2008)

Landen

Ontdek andere dichters en gedichten uit België

Gedichten Dichters

Talen

Ontdek andere dichters en gedichten in het Nederlands

Gedichten Dichters
Close

Waarover spreken

Waarover vanavond spreken? En spreken
in een land dat wij herkennen, dulden,
zelden vergeten.
Dat land met zijn koddige genesis,
zijn klam klimaat, zijn voze verhalen
over vroeger,
zijn bewoners, hebberig tot hun laatste val
tussen de bloemkolen.
Zij blijven zich vermenigvuldigen
in een paradijs dat zij verzinnen,
tuk op geluk, sidderend, pap in de mond.
Zoals in de natuur
die onze ondermaatse heuvels onthaart,
onze weiden verschroeit, onze lucht vergast,
de argeloze koeien blijven grazen.

Spreken over de geschriften van dit land,
drukwerk vol vraagtekens
op het geduldig papier
dat steeds opnieuw schrikt van zijn historie
en daarvoor vlucht in verhullend snelschrift.
Spreken over de overgordijnen
die men dichttrekt over zichzelf.
Maar wij blijven ze horen, de stinkende
primaten die elkaar in kamers belagen.
Zoals in de natuur
de hibiscus geen geur verspreidt,
dat doen de schuldeloze koeien die zakken
in de doorzeken aarde.

Spreken in dat land van glinsterend gras
waarin de mens,
onmatige worm, dromend karkas,
verwijlt tussen de lijken die dood als zij zijn
blijven gehoorzamen aan onze herinnering.
Zoals onze natuur een enkel, enkelvoudig
mirakel verwacht dat ooit uiteindelijk
zal verhelderen wat men was,
niet alleen dit aftands spektakel
ineengeflanst door de tijd.

Spreken over die tijd die, zei men,
zou beklijven als brandmerk en palimpsest?
Wij leefden in een tijd van verbruiken
en bruikbaar zijn.
Welk verweer daartegenover?
Welke feestelijke veren in de kont?
Welk liedje in de kelder? Misschien.
Zeg het. Misschien.
Een paar krassen in leisteen
en dat is dan de omtrek van je geliefde.
Vingerafdrukken in klei zijn dan haar heupen.
Fonemen van vreugde weerklonken soms
als zij, toen zij, naar jou riep als een kat.

Spreken over haar aanwezigheid
wekt het blauw uur van de schemer.
Zoals in de natuur
het ongenadig, glazig, blauw azuur
van onze planeet gezien vanuit Apollo.

En al begint van louter spreken
je feestmuts zwaar te wegen
en begint de levenslijn in je handpalm
te verzweren
toch, niettegenstaande, desalniettemin
de bloei vereren
van de schaduwen die ons bevolken,
de schaduwen die bedelen om troost.
En toch haar schouderblad strelen.
Als de rug van een bultenaar.
Toch tuk op een wreedaardig geluk.

WHAT TO SPEAK ABOUT

What to speak about tonight? And preach
in a land we recognise, tolerate,
seldom forget.
That country with its droll beginnings,
its clammy climate, its sapless stories
about the old days,
its inhabitants, greedy till their final fall
among the cauliflowers.
They keep on multiplying
in a paradise of their own imagining,
hankering for happiness, shivering, mouths full of porridge.
Just as in nature
which depilates our puny hills,
scorches our pastures, poisons our air,
the guileless cows graze on.

Speak about the writings of this land,
printed matter full of question marks
on the patient paper
that time and again is shocked by its history
and so resorts to concealing shorthand.
Speak about the curtains
that people draw around themselves.
But still we hear them, the stinking
primates that stalk each other in rooms.
Just as in nature
the hibiscus gives off no scent,
that the innocent cows do, becoming bogged
in the piss-logged earth.

Speak in that land of glittering grass
in which man,
intemperate worm, dreaming carcass,
dwells among the corpses which dead as they are
remain obedient to our memory.
Just as our nature expects a single,
simple miracle that one day will finally
explain what we were,
not only this remote spectacle
thrown together by time.

Speak about that time which, they said,
would mark as a brand and palimpsest?
We lived in an aged of using
and being usable.
What defence against such?
What festive arse-feathers?
What cellar song? Perhaps.
Say it. Perhaps.
A few swift scratches in slate
and that’s the outline of your love.
Fingerprints in the clay are her hips.
Phonemes of joy sometimes sounded
if she, when she, called you like a cat.

Speaking about her presence
wakens the blue hour of twilight.
Just as in nature
the merciless, glassy, blue azure
of our planet seen from Apollo.

And though from simply speaking
your festive cap begins to feel heavy
and the lifeline in your palm
starts festering
still, notwithstanding, nevertheless
honour the flowering
of the shadows that inhabit us,
the shadows begging for consolation.
And still stroke her shoulder blade.
Like the back of a hunchback
Still hankering for a ferocious happiness.
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Hendrik Muller fonds
Lira fonds
J.E. Jurriaanse
Literature Translation Institute of Korea
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère