Poetry International Poetry International
Gedicht

Farhad Showghi

'How often do I have to go into a room'

1. – How often do I have to go into a room in order to have a room? What does it mean to inhabit a room? How long do I have to look out of the window? Which movement denotes making a room my own? Is it when I tack postcards which show Frau Lindner und ihren Sohn or arab horsemen before meknès to the wall? Or when I fold a pastel green shirt? While I work I like looking at a bit of sky that can’t expand. Then the space does everything which needs to be done. The afternoon progresses and the light comes diagonally across the windowsill. I swear by the whole space before me and perhaps I say, This is light, this is dark.

4. – I recently read poems to a class of year ten pupils south of the Elbe. Some of the pupils were from the Middle East, others from Hamburg-Wilhelmsburg. After the reading a pupil said: I hear myself speak, look, a sound shrub moves my mouth. – And: Now I make a sentence about the low hedge around the street-lit place. – Another pupil positioned himself before her words: I went out of the house somewhere, and the street hopped straight from my fingers, I didn’t know how powerful I was, with the effective flightpath of my arms by my sides, when I became occupied with the squares in front of the houses. They seemed to be chasing each other playfully, clearly separated at one point, switching places with nearby women and children, then coming closer, almost bumping into each other, then separating again, as if the lightest overtook the others. – And a pupil who had still been hesitating responded in a similar translation: You made your feet happy with these city street games. But did feet ever exist? The toes playing in the point of a shoe? I sat at the harbour yesterday, sometimes surprised by the hand movement of a fish or a note that in reality was a plot of land appearing. Above the water snuck a feeling of sound with gentle waves, and struck feet from my memory. I sat there without traces, ate an apple. And heard my jumper breathing. The ships came from right and left in a way. In the way that the cranes and other heights emerged, the clouds drew in. With four gas flames, the community of heights kept at the distance of evening and emptied out my shoes.

'Hoe vaak moet ik een kamer in'

1. ─ Hoe vaak moet ik een kamer in om een kamer te hebben? Wat betekent dat, een kamer bewonen? Hoe lang moet ik uit het raam kijken? Welke beweging heet me een plaats eigen maken? Is dat het geval als ik briefkaarten aan de muur hang die Frau Lindner mit Ihrem Sohn of arab horsemen before meknès voorstellen? Is dat het geval als ik met een beker van de deur naar de gordijnen loop? Of een witgroen hemd opvouw? Ik zie graag terwijl ik werk een stukje hemel dat zich niet uitbreiden kan. Dan doet de ruimte alles wat gedaan moet worden. De namiddag vordert en het licht valt dwars over de vensterbank. Ik zweer bij het hele oppervlak voor me en zeg misschien: dit is licht, dit is donker.

 

4. ─ Onlangs las ik ten zuiden van de Elbe aan leerlingen van de tiende klas gedichten voor. Een deel van de leerlingen kwam uit het Midden-Oosten, een ander uit Hamburg-Wilhelmsburg. Na de lezing zei een leerlinge: ik hoor mezelf praten, kijk, een klankstruik beweegt mijn mond. – En: nu spring ik over de lage heg naar de plek die door de stad wordt verlicht. – Een andere ging voor haar woorden staan: ik ging ergens het huis uit en de straat sprong in een rechte lijn van mijn vingers, ik wist niet hoe sterk ik was met de passende vliegbaan van mijn armen opzij toen ik het druk had met de pleinen voor de huizen. Ze leken elkaar speels te achtervolgen, een keer duidelijk gescheiden wisselden ze elkaar af met nabije vrouwen en kinderen, naderden elkaar toen, botsten bijna, gingen weer uit elkaar alsof de lichtsten de anderen inhaalden. – En een leerling die geaarzeld had antwoordde in een vergelijkbare vertaling: je hebt je voeten met je stadsstratengrapjes blij gemaakt. Maar hebben voeten ooit bestaan? Tenen die in de punt van de schoen spelen? Ik zat gisteren bij de haven, nu en dan verrast door het handgebaar van een vis of een aantekening die in werkelijkheid een hierheen schijnend stuk land was. Een licht golvend loopgevoel streek over het water en wiste voeten uit mijn geheugen. Ik zat er zonder sporen, at een appel. En hoorde mijn trui ademen. Van rechts of links naderden schepen op een bepaalde manier. Op de manier waarop kraanvogels en andere hoogten ontstonden bewogen de wolken. Met vier gasvlammen hield de gemeenschap van de hoogten zich op avondafstand en maakte mijn schoenen leeg.

'Wie oft muß ich in ein Zimmer gehen'

1. – Wie oft muß ich in ein Zimmer gehen, um ein Zimmer zu haben? Was heißt das, ein Zimmer bewohnen? Wie lange muß ich aus dem Fenster schauen? Welche Bewegung heißt, mir einen Ort aneignen? Ist es der Fall, wenn ich Postkarten, die Frau Lindner und ihren Sohn oder arab horsemen before meknès darstellen, an die Wand hefte? Ist es der Fall, wenn ich mit einem Becher von der Tür zu den Gardinen laufe? Oder ein weißgrünes Hemd zusammenfalte? Ich sehe gerne während der Arbeit ein Stück Himmel, das sich nicht breiten kann. Dann tut der Raum alles, was getan werden muß. Der Nachmittag rückt vor und das Licht kommt quer über die Fensterbank. Ich schwöre auf die ganze Fläche vor mir und sage vielleicht: Das ist hell, das ist dunkel.

4. – Kürzlich las ich südlich von der Elbe Schülern einer zehnten Klasse Gedichte vor. Ein Teil der Schüler stammte aus dem Mittleren Osten, ein anderer aus Hamburg-Wilhelmsburg. Nach der Leung sagte eine Schülerin: Ich höre mich sprechen, schau, ein Schallstrauch bewegt meinen Mund. – Und: Jetzt mache ich einen Satz über die niedrige Hecke zu der stadtbeleuchteten Stelle hin. – Ein anderer stellte sich vor ihre Worte: Ich ging irgendwo aus dem Haus, und gradlinig hüpfte mir die Straße von den Fingern, ich wusste nicht, wie kräftig ich war, mit der gültigen Flugbahn meiner Arme an den Seiten, als ich zutun bekam mit den Plätzen vor den Häusern. Sie schienen sich spielerisch zu verfolgen, einmal deutlich getrennt, einander abwechselnd mit nahen Frauen und Kindern, dann sich annähernd, fast zusammenstoßend, dann wieder sich trennend, als überholten die leichteten die anderen. – Und ein Schüler, der noch gezögert hatte, entgegnete in einer ähnlichen Übersetzung: Du hast Deinen Füßen mit diesen Stadtstraßenspässen eine Freude gemacht. Aber hat es Füße je gegeben? Die am Schuhende spielenden Zehe? Ich saß gestern am Hafen, manchmal überrascht von der Handbewegung eines Fisches oder einer Notiz, die in Wirklichkeit ein herscheinendes Landstück war. Über das Wasser strich ein leichtgewelltes Laufgefühl und strich Füße aus meinem Gedächtnis. Ich saß da ohne Spuren, aß einen Apfel. Und hörte meinen Pullover atmen. Von rechts und links kamen die Schiffe in einer Art und Weise. In einer Art und Weise, wie die Kräne und andere Höhen entstanden, zogen die Wolken. Mit vier Gasflammen hielt sich die Gemeinschaft der Höhen in Abendweite und leerte meine Schuhe aus.

Close

'Hoe vaak moet ik een kamer in'

1. ─ Hoe vaak moet ik een kamer in om een kamer te hebben? Wat betekent dat, een kamer bewonen? Hoe lang moet ik uit het raam kijken? Welke beweging heet me een plaats eigen maken? Is dat het geval als ik briefkaarten aan de muur hang die Frau Lindner mit Ihrem Sohn of arab horsemen before meknès voorstellen? Is dat het geval als ik met een beker van de deur naar de gordijnen loop? Of een witgroen hemd opvouw? Ik zie graag terwijl ik werk een stukje hemel dat zich niet uitbreiden kan. Dan doet de ruimte alles wat gedaan moet worden. De namiddag vordert en het licht valt dwars over de vensterbank. Ik zweer bij het hele oppervlak voor me en zeg misschien: dit is licht, dit is donker.

 

4. ─ Onlangs las ik ten zuiden van de Elbe aan leerlingen van de tiende klas gedichten voor. Een deel van de leerlingen kwam uit het Midden-Oosten, een ander uit Hamburg-Wilhelmsburg. Na de lezing zei een leerlinge: ik hoor mezelf praten, kijk, een klankstruik beweegt mijn mond. – En: nu spring ik over de lage heg naar de plek die door de stad wordt verlicht. – Een andere ging voor haar woorden staan: ik ging ergens het huis uit en de straat sprong in een rechte lijn van mijn vingers, ik wist niet hoe sterk ik was met de passende vliegbaan van mijn armen opzij toen ik het druk had met de pleinen voor de huizen. Ze leken elkaar speels te achtervolgen, een keer duidelijk gescheiden wisselden ze elkaar af met nabije vrouwen en kinderen, naderden elkaar toen, botsten bijna, gingen weer uit elkaar alsof de lichtsten de anderen inhaalden. – En een leerling die geaarzeld had antwoordde in een vergelijkbare vertaling: je hebt je voeten met je stadsstratengrapjes blij gemaakt. Maar hebben voeten ooit bestaan? Tenen die in de punt van de schoen spelen? Ik zat gisteren bij de haven, nu en dan verrast door het handgebaar van een vis of een aantekening die in werkelijkheid een hierheen schijnend stuk land was. Een licht golvend loopgevoel streek over het water en wiste voeten uit mijn geheugen. Ik zat er zonder sporen, at een appel. En hoorde mijn trui ademen. Van rechts of links naderden schepen op een bepaalde manier. Op de manier waarop kraanvogels en andere hoogten ontstonden bewogen de wolken. Met vier gasvlammen hield de gemeenschap van de hoogten zich op avondafstand en maakte mijn schoenen leeg.

'How often do I have to go into a room'

1. – How often do I have to go into a room in order to have a room? What does it mean to inhabit a room? How long do I have to look out of the window? Which movement denotes making a room my own? Is it when I tack postcards which show Frau Lindner und ihren Sohn or arab horsemen before meknès to the wall? Or when I fold a pastel green shirt? While I work I like looking at a bit of sky that can’t expand. Then the space does everything which needs to be done. The afternoon progresses and the light comes diagonally across the windowsill. I swear by the whole space before me and perhaps I say, This is light, this is dark.

4. – I recently read poems to a class of year ten pupils south of the Elbe. Some of the pupils were from the Middle East, others from Hamburg-Wilhelmsburg. After the reading a pupil said: I hear myself speak, look, a sound shrub moves my mouth. – And: Now I make a sentence about the low hedge around the street-lit place. – Another pupil positioned himself before her words: I went out of the house somewhere, and the street hopped straight from my fingers, I didn’t know how powerful I was, with the effective flightpath of my arms by my sides, when I became occupied with the squares in front of the houses. They seemed to be chasing each other playfully, clearly separated at one point, switching places with nearby women and children, then coming closer, almost bumping into each other, then separating again, as if the lightest overtook the others. – And a pupil who had still been hesitating responded in a similar translation: You made your feet happy with these city street games. But did feet ever exist? The toes playing in the point of a shoe? I sat at the harbour yesterday, sometimes surprised by the hand movement of a fish or a note that in reality was a plot of land appearing. Above the water snuck a feeling of sound with gentle waves, and struck feet from my memory. I sat there without traces, ate an apple. And heard my jumper breathing. The ships came from right and left in a way. In the way that the cranes and other heights emerged, the clouds drew in. With four gas flames, the community of heights kept at the distance of evening and emptied out my shoes.

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère