Poetry International Poetry International
Gedicht

Ruth Lasters

ARMY

Maybe it will take an eight-billion-strong
snowman army to demonstrate extinction to us,
setting them up one by one.

Maybe we first need to see each iced-water delegate
shrink, helpless, as the mercury rises,
before our complicity and complacency give up the fight 

for the same gammy leg. But then with the risk of new pariahs:
people for whom the snow figure was already a meltwater puddle
when that of others was still a lump: the squeaky-new 'elite'. 

Things could then get grim, knowing us
since '45 - '39: I'm saying it back to front as if everything then
counts backwards, back to once long ago and far away a species
that could still suspect itself of bare beauty. 

Sometimes, the unbridled nostalgia for that time can be heard
in the almost childlike sounds of the bean geese.
They say you shouldn't feed them, but when you don't
satisfy the craving for primeval innocence, then you still – 

Oh, those birds, so drab and samey
as if made on a conveyor belt by all the earlier people
who, so they would honk so hauntingly, would fill them up
with ever-more seldom snow.

LEGER

LEGER

Misschien vergt het een acht miljard koppig
sneeuwmannenleger dat uitsterving voor ons voordoet,
één voor één voor ons in scène zet.
 
Misschien dat wij eerst elk een afgevaardigde van ijswater
moeten zien krimpen, kansloos bij het stijgen van het kwik
voordat ons willen en ons weten het vechten staken

om hetzelfde manke been. Met risico dan wel op nieuwe paria’s:
de mensen van wie de sneeuwgedaante al een dooiplas was
toen die van anderen nog een homp was: de kraakverse ‘elite’. 

Zo zou het gruwelijk kunnen gaan ons kennende
sinds ‘45-‘40: ik zeg het wel eens omgekeerd alsof dan alles
terugtelt weer naar ooit heel vroeger en heel ver een soort
die zich nog kon verdenken van slechts schoonheid. 

Het tomeloze heimwee daarnaar klinkt soms
in de bijna kinderlijke klanken van de rietganzen.
Men zegt dat het niet goed is ze te voeren, maar wanneer men
de sehnsucht naar de oeronschuld niet voedt, gaat men toch – 

Ach, die vogels, zo grauw en eender
als aan een lopende band gemaakt door alle eerdere mensen
die ze, opdat ze zo weemoedig zouden gakken, opvullen
met almaar zeldzamere sneeuw.

Close

LEGER

Misschien vergt het een acht miljard koppig
sneeuwmannenleger dat uitsterving voor ons voordoet,
één voor één voor ons in scène zet.
 
Misschien dat wij eerst elk een afgevaardigde van ijswater
moeten zien krimpen, kansloos bij het stijgen van het kwik
voordat ons willen en ons weten het vechten staken

om hetzelfde manke been. Met risico dan wel op nieuwe paria’s:
de mensen van wie de sneeuwgedaante al een dooiplas was
toen die van anderen nog een homp was: de kraakverse ‘elite’. 

Zo zou het gruwelijk kunnen gaan ons kennende
sinds ‘45-‘40: ik zeg het wel eens omgekeerd alsof dan alles
terugtelt weer naar ooit heel vroeger en heel ver een soort
die zich nog kon verdenken van slechts schoonheid. 

Het tomeloze heimwee daarnaar klinkt soms
in de bijna kinderlijke klanken van de rietganzen.
Men zegt dat het niet goed is ze te voeren, maar wanneer men
de sehnsucht naar de oeronschuld niet voedt, gaat men toch – 

Ach, die vogels, zo grauw en eender
als aan een lopende band gemaakt door alle eerdere mensen
die ze, opdat ze zo weemoedig zouden gakken, opvullen
met almaar zeldzamere sneeuw.

ARMY

Maybe it will take an eight-billion-strong
snowman army to demonstrate extinction to us,
setting them up one by one.

Maybe we first need to see each iced-water delegate
shrink, helpless, as the mercury rises,
before our complicity and complacency give up the fight 

for the same gammy leg. But then with the risk of new pariahs:
people for whom the snow figure was already a meltwater puddle
when that of others was still a lump: the squeaky-new 'elite'. 

Things could then get grim, knowing us
since '45 - '39: I'm saying it back to front as if everything then
counts backwards, back to once long ago and far away a species
that could still suspect itself of bare beauty. 

Sometimes, the unbridled nostalgia for that time can be heard
in the almost childlike sounds of the bean geese.
They say you shouldn't feed them, but when you don't
satisfy the craving for primeval innocence, then you still – 

Oh, those birds, so drab and samey
as if made on a conveyor belt by all the earlier people
who, so they would honk so hauntingly, would fill them up
with ever-more seldom snow.

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Versopolis
J.E. Jurriaanse
Gefinancierd door de Europese Unie
Elise Mathilde Fonds
Stichting Verzameling van Wijngaarden-Boot
Veerhuis
VDM
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère