Poetry International Poetry International
Gedicht

Maud Vanhauwaert

We are parallel

A woman comes up to me. She says
‘we are parallel, meeting at infinity,
let’s run’ _

          Shall we wait? Shall we wait until
          the children are big and the strawberries
          red, they are too pale, too small, too hard.
          Shall we wait until evening has come
          and the night we still want to sleep on _

She hooks her arm through mine as an infinity symbol _
 
          Shall we wait for a first step
          so enormous you could pitch
          a tent between our legs
          where new children can camp,
          strawberries can ripen and no one
          can get around summer _

And we run. With our arms
we swing out a beat that suits us _

Wij zijn evenwijdig

Wij zijn evenwijdig

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
oneindige, laten we rennen’_

Zullen we wachten? Zullen we wachten
tot de kinderen groot zijn en de aardbeien
rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te hard.
Zullen we wachten tot de avond valt
en de nacht waarover wij nog een keer
willen slapen _

Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat _
 
Zullen we wachten op een eerste stap
zo reusachtig dat je makkelijk een tent
tussen onze benen spant
waarin nieuwe kinderen kamperen,
aardbeien rijpen en niemand nog buiten
de zomer kan _

En we rennen. Met onze armen
zwaaien wij een maat die bij ons past _
Close

Wij zijn evenwijdig

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
oneindige, laten we rennen’_

Zullen we wachten? Zullen we wachten
tot de kinderen groot zijn en de aardbeien
rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te hard.
Zullen we wachten tot de avond valt
en de nacht waarover wij nog een keer
willen slapen _

Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat _
 
Zullen we wachten op een eerste stap
zo reusachtig dat je makkelijk een tent
tussen onze benen spant
waarin nieuwe kinderen kamperen,
aardbeien rijpen en niemand nog buiten
de zomer kan _

En we rennen. Met onze armen
zwaaien wij een maat die bij ons past _

We are parallel

A woman comes up to me. She says
‘we are parallel, meeting at infinity,
let’s run’ _

          Shall we wait? Shall we wait until
          the children are big and the strawberries
          red, they are too pale, too small, too hard.
          Shall we wait until evening has come
          and the night we still want to sleep on _

She hooks her arm through mine as an infinity symbol _
 
          Shall we wait for a first step
          so enormous you could pitch
          a tent between our legs
          where new children can camp,
          strawberries can ripen and no one
          can get around summer _

And we run. With our arms
we swing out a beat that suits us _
Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Ludo Pieters Gastschrijver Fonds
Hendrik Muller fonds
Lira fonds
J.E. Jurriaanse
Literature Translation Institute of Korea
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère