Poetry International Poetry International
Gedicht

Peter Gizzi

VINCENT, HOMESICK FOR THE LAND OF PICTURES

VINCENT, TERUGVERLANGEND NAAR HET LAND DER SCHILDERINGEN

Is dit wat je beoogde, Vincent
dat we rust nemen aan de rand van de boomgaard
genesteld in ons deel onder de trek van de vogels
met de vraag, wie en hoe ben ik door strijd gesterkt.
Of waarom ben ik ik in deze lege bomentuin
deze inwaartse spiraal van pak rammel en visie
de bladerrijke klimplant die de boom omwindt en verstikt.
O, lieve hemel, als je dat tenminste bent
of als je toch kunt horen wat ik misschien zeg
heel mij en gun me de gulheid van het lachen
van oog en glimlach, van oog en genegenheid.
 
Niet naïef te zijn en slechts aan dwaze antwoorden denken
noch geloven in antwoorden als enige bestemming
noch is kleur bevragen überhaupt zinvol nu
nu de witte straal in de verre boom oplicht.
Dat de zon dit met ons doen kan, elk van ons
dat de zon dit doen kan met alles binnenin
het gebroken licht door bladeren gefilterd.
Wat de ouden vrede noemden, geen voorbeeld helderder
wat onze vaderen het goede noemden, geen viering geschikter.
Bladeren stralen in het lichaam zoals ook in het hoofd
de zon dieper tast dan het denken.
 
O zinvol te zijn, van nut, voor wat je werkelijk ziet
ergens deel van uitmaken door je daden in de wereld.
Er bestaat wellicht niets groters dan dit
niets is trouwer aan wat goed voelt en zich innerlijk roert
zoals midden in de bloem die ik jouw naam geef.
Overeen te stemmen, vrede hebben met organisch spul
zwoegen en denken en teruggaan en schilderen
vader, en verder, de migratie der dingen.
De tocht terug van ganzen en bosmuizen.
De overvloedige sporen van de zon in alle leven
in alle leven dat je ziet en voelt en alle atoomdeeltjes ook.
 
Maar overdenk, wat je voelt bestaat in schaduw.
Het duister draagt een glans nog niet door helderheid gestraft
maar misschien een diepte die helderheid overschittert en waar is.
Het donker staat dicht bij twijfel en daarom dicht bij de zon
tenminste wat de oude boeken wetenschap noemden of eerbiedigden.
Het donker is geen kwaad want er zit indigo en kobalt in
en laten we het indigo nooit vergeten en de warmte ervan
de warmte van de geest weerspiegeld in een donkere tijd
in de tijd van schilderingen en gebroken licht.
Ah, ook hier is de zon in de poolstreek van de nacht
de dierlijke nabijheid van een ander en van dra.
 
Erin te stappen als in een hoge golf laat in augustus
uit te gaan onder al wat boven je glinstert.
Je verbazen en dromen en ernaar omhoogkijken
verwonderlijke en vreemde metgezel van al onze dagen
gezwoeg en getob en dierlijke angst altijd bij ons.
De nachthemel, het diepe ruimtegevoel, echte lichtlichamen
de edelstenen verfstreken in stralen en flonkering
stevig vastgehouden, vaster gewikkeld in het zien.
Het zuiver verticale voelen erin verstrikt
de hemel, de maan, de vele hemelse vormen
deze sterrennachten alleen en levend verbonden aan de rand.
 
En denken nu aan het zilver en het bijna blauw van tin.
Deze tinten diep doorvoelen, de kleur die wast en afneemt
en geel, gelen zijn de tonen van werk en brood.
De diepe gedurige zon die neerstrijkt en indruk maakt
en hier zoveel meer bereikt dan waar zij duidt
op de grote brandende bol in de kern van al het bestaande.
Stelt het niet gerust dit begrip van al het bestaande
hoewel misschien niets er de laatste, echte uitdrukking van is
dit niets in het midden van iets dat leeft en brandt
groen wordt mint, blauw wordt lei, grijs en grijs naar violet
tot lichtende schemer tot stof dan verspreid nu vergaan.
 
Maar wat is nu het nut van deze dunne straal, deur op een kier
het nauwe pad overhuifd door dicht hout roepende
en dan de gegroefde doelloosheid in lapidaire schakering en lijn.
Doorgaan, doorstoten, de volgende stap zetten, doodgaan.
De kringen verwijden en rimpelen in gearceerd immer
de kring op de horizon die steeds opnieuw de verf inrolt
tot in het niet-nabije, nu-verre, de ver verwijderde daglichtlijn.
Dat licht was mijn vijand en grote bron van kwelling
een grote troost in verf en broederschap, lucht en gras.
De geurige heuvels spraken bloeiend van toon en zo hoorde ik
hoe knoestige stronken de hemel verscheurden, de zon aanvraten.
 
Toen knoestige stronken de hemel verscheurden, de zon aanvraten
spraken de geurige heuvels bloeiend van toon en zo hoorde ik
een grote troost in verf en broederschap, lucht en gras.
Dat licht was mijn vijand en grote bron van kwelling
tot in het niet-nabije, nu-verre, de ver verwijderde daglichtlijn
de kring op de horizon die steeds opnieuw de verf inrolt.
De kringen verwijden en rimpelen in gearceerd immer.
Doorgaan, doorstoten, de volgende stap zetten, doodgaan.
En dan de gegroefde doelloosheid in lapidaire schakering en lijn
het nauwe pad overhuifd door dicht hout roepende
maar wat is nu het nut van deze dunne straal, deur op een kier.
 
Tot lichtende schemer tot stof dan verspreid nu vergaan
groen wordt mint, blauw wordt lei, grijs en grijs naar violet
dit niets in het midden van iets dat leeft en brandt
hoewel misschien niets er de laatste, echte uitdrukking van is.
Stelt het niet gerust dit begrip van al het bestaande
de grote brandende bol in de kern van al het bestaande
die hier zoveel meer bereikt dan waar hij duidt.
De diepe gedurige zon die neerstrijkt en indruk maakt
en geel, gelen zijn de tonen van werk en brood.
Deze tinten diep doorvoelen, de kleur die wast en afneemt
en denken nu aan het zilver en het bijna blauw van tin.
 
Deze sterrennachten alleen en levend verbonden aan de rand
de hemel, de maan, de vele hemelse vormen
het zuiver verticale voelen erin verstrikt.
Stevig vastgehouden, vaster gewikkeld in het zien
de edelstenen verfstreken in stralen en flonkering.
De nachthemel, het diepe ruimtegevoel, echte lichtlichamen
gezwoeg en getob en dierlijke angst altijd bij ons
verwonderlijke en vreemde metgezel van al onze dagen.
Je verbazen en dromen en ernaar omhoogkijken
uit te gaan onder al wat boven je glinstert
erin te stappen als in een hoge golf laat in augustus.
 
De dierlijke nabijheid van een ander en van dra.
Ah, ook hier is de zon in de poolstreek van de nacht
in de tijd van schilderingen en gebroken licht
de warmte van de geest weerspiegeld in een donkere tijd
en laten we het indigo nooit vergeten en de warmte ervan.
Het donker is geen kwaad want er zit indigo en kobalt in
tenminste wat de oude boeken wetenschap noemden of eerbiedigden.
Het donker staat dicht bij twijfel en daarom dicht bij de zon
maar misschien een diepte die helderheid overschittert en waar is.
Het duister draagt een glans nog niet door helderheid gestraft
maar overdenk, wat je voelt bestaat in schaduw.
 
In alle leven dat je ziet en voelt en alle atoomdeeltjes ook
de overvloedige sporen van de zon in alle leven
de tocht terug van ganzen en bosmuizen
vader, en verder, de migratie der dingen.
Zwoegen en denken en teruggaan en schilderen
overeen te stemmen, vrede hebben met organisch spul
zoals midden in de bloem die ik jouw naam geef.
Niets is trouwer aan wat goed voelt en zich innerlijk roert
er bestaat wellicht niets groters dan dit
ergens deel van uitmaken door je daden in de wereld.
O zinvol te zijn, van nut, voor wat je werkelijk ziet.
 
De zon tast dieper dan het denken
bladeren stralen in het lichaam zoals ook in het hoofd
wat onze vaderen het goede noemden, geen viering geschikter.
Wat de ouden vrede noemden, geen voorbeeld helderder
het gebroken licht door bladeren gefilterd.
Dat de zon dit doen kan met alles binnenin
dat de zon dit met ons doen kan, elk van ons
nu de witte straal in de verre boom oplicht.
Noch is kleur bevragen überhaupt zinvol nu
noch geloven in antwoorden als enige bestemming
niet naïef te zijn en slechts aan dwaze antwoorden denken.
 
Van oog en glimlach, van oog en genegenheid
heel mij en gun me de gulheid van het lachen.
Of als je toch kunt horen wat ik misschien zeg
O, lieve hemel, als je dat tenminste bent
de bladerrijke klimplant die de boom omwindt en verstikt
deze inwaartse spiraal van pak rammel en visie.
Of waarom ben ik ik in deze lege bomentuin
met de vraag, wie en hoe ben ik door strijd gesterkt
genesteld in ons deel onder de trek van de vogels
dat we rust nemen aan de rand van de boomgaard
is dit wat je beoogde, Vincent.

VINCENT, HOMESICK FOR THE LAND OF PICTURES

Is this what you intended, Vincent
that we take our rest at the end of the grove
nestled into our portion beneath the bird’s migration
saying, who and how am I made better through struggle.
Or why am I I inside this empty arboretum
this inward spiral of whoop ass and vision
the leafy vine twisting and choking the tree.
O, dear heaven, if you are indeed that
or if you can indeed hear what I might say
heal me and grant me laughter’s bounty
of eyes and smiles, of eyes and affection.
 
To not be naive and think of silly answers only
not to imagine answers would be the only destination
nor is questioning color even useful now
now that the white ray in the distant tree beacons.
That the sun can do this to us, every one of us
that the sun can do this to everything inside
the broken light refracted through leaves.
What the ancients called peace, no clearer example
what our fathers called the good, what better celebration.
Leaves shine in the body and in the head alike
the sun touches deeper than thought.
 
O to be useful, of use, to the actual seen thing
to be in some way related by one’s actions in the world.
There might be nothing greater than this
nothing truer to the good feelings that vibrate within
like in the middle of the flower I call your name.
To correspond, to be in equanimity with organic stuff
to toil and to reflect and to home and to paint
father, and further, the migration of things.
The homing action of geese and wood mice.
The ample evidence of the sun inside all life
inside all life seen and felt and all the atomic pieces too.
 
But felt things exist in shadow, let us reflect.
The darkness bears a shine as yet unpunished by clarity
but perhaps a depth that outshines clarity and is true.
The dark is close to doubt and therefore close to the sun
at least what the old books called science or bowed down to.
The dark is not evil for it has indigo and cobalt inside
and let us never forget indigo and the warmth of that
the warmth of the mind reflected in a dark time
in the time of pictures and refracted light.
Ah, the sun is here too in the polar region of night
the animal proximity of another and of nigh.
 
To step into it as into a large surf in late August
to go out underneath it all above and sparkling.
To wonder and to dream and to look up at it
wondrous and strange companion to all our days
and the toil and worry and animal fear always with us.
The night sky, the deep sense of space, actual bodies of light
the gemstone brushstrokes in rays and shimmers
to be held tight, wound tighter in the act of seeing.
The sheer vertical act of feeling caught up in it
the sky, the moon, the many heavenly forms
these starry nights alone and connected alive at the edge.
 
Now to think of the silver and the almost blue in pewter.
To feel these hues down deep, feel color wax and wane
and yellow, yellows are the tonality of work and bread.
The deep abiding sun touching down and making its impression
making so much more of itself here than where it signals
the great burning orb installed at the center of each and every thing.
Isn’t it comforting this notion of each and every thing
though nothing might be the final and actual expression of it
that nothing at the center of something alive and burning
green then mint, blue then shale, gray and gray into violet
into luminous dusk into dust then scattered now gone.
 
But what is the use now of this narrow ray, this door ajar
the narrow path canopied in dense wood calling
what of the striated purposelessness in lapidary shading and line.
To move on, to push forward, to take the next step, to die.
The circles grow large and ripple in the hatch-marked forever
the circle on the horizon rolling over and over into paint
into the not near, the now far, the distant long-off line of daylight.
That light was my enemy and one great source of agony
one great solace in paint and brotherhood the sky and grass.
The fragrant hills spoke in flowering tones I could hear
the gnarled cut stumps tearing the sky, eating the sun.
 
The gnarled cut stumps tearing the sky, eating the sun
the fragrant hills spoke in flowering tones I could hear
one great solace in paint and brotherhood the sky and grass.
That light was my enemy and one great source of agony
into the not near, the now far, the distant long-off line of daylight
the circle on the horizon rolling over and over into paint.
The circles grow large and ripple in the hatch-marked forever.
To move on, to push forward, to take the next step, to die.
What of the striated purposelessness in lapidary shading and line
the narrow path canopied in dense wood calling
but what is the use now of this narrow ray, this door ajar.
 
Into luminous dusk into dust then scattered now gone
green then mint, blue then shale, gray and gray into violet
that nothing at the center of something alive and burning
though nothing might be the final and actual expression of it.
Isn’t it comforting this notion of each and every thing
the great burning orb installed at the center of each and every thing
making so much more of itself here than where it signals.
The deep abiding sun touching down and making its impression
and yellow, yellows are the tonality of work and bread.
To feel these hues down deep, feel color wax and wane
now to think of the silver and the almost blue in pewter.
 
These starry nights alone and connected alive at the edge
the sky, the moon, the many heavenly forms
the sheer vertical act of feeling caught up in it.
To be held tight, wound tighter in the act of seeing
the gemstone brushstrokes in rays and shimmers.
The night sky, the deep sense of space, actual bodies of light
and the toil and worry and animal fear always with us
wondrous and strange companion to all our days.
To wonder and to dream and to look up at it
to go out underneath it all above and sparkling
to step into it as into a large surf in late August.
 
The animal proximity of another and of nigh.
Ah, the sun is here too in the polar region of night
in the time of pictures and refracted light
the warmth of the mind reflected in a dark time
and let us never forget indigo and the warmth of that.
The dark is not evil for it has indigo and cobalt inside
at least what the old books called science or bowed down to.
The dark is close to doubt and therefore close to the sun
but perhaps a depth that outshines clarity and is true.
The darkness bears a shine as yet unpunished by clarity
but felt things exist in shadow, let us reflect.
 
Inside all life seen and felt and all the atomic pieces too
the ample evidence of the sun inside all life
the homing action of geese and wood mice
father, and further, the migration of things.
To toil and to reflect and to home and to paint
to correspond, to be in equanimity with organic stuff
like in the middle of the flower I call your name.
Nothing truer to the good feelings that vibrate within
there might be nothing greater than this
to be in some way related by one’s actions in the world.
O to be useful, of use, to the actual seen thing.
 
The sun touches deeper than thought
leaves shine in the body and in the head alike
what our fathers called the good, what better celebration.
What the ancients called peace, no clearer example
the broken light refracted through leaves.
That the sun can do this to everything inside
that the sun can do this to us, every one of us
now that the white ray in the distant tree beacons.
Nor is questioning color even useful now
nor to imagine answers would be the only destination
to not be naive and think of silly answers only.
 
Of eyes and smiles, of eyes and affection
heal me and grant me laughter’s bounty.
Or if you can indeed hear what I might say
O, dear heaven, if you are indeed that
the leafy vine twisting and choking the tree
this inward spiral of whoop ass and vision.
Or why am I I inside this empty arboretum
saying, who and how am I made better through struggle
nestled into our portion beneath the bird’s migration
that we take our rest at the end of the grove
is this what you intended, Vincent.
Close

VINCENT, TERUGVERLANGEND NAAR HET LAND DER SCHILDERINGEN

Is dit wat je beoogde, Vincent
dat we rust nemen aan de rand van de boomgaard
genesteld in ons deel onder de trek van de vogels
met de vraag, wie en hoe ben ik door strijd gesterkt.
Of waarom ben ik ik in deze lege bomentuin
deze inwaartse spiraal van pak rammel en visie
de bladerrijke klimplant die de boom omwindt en verstikt.
O, lieve hemel, als je dat tenminste bent
of als je toch kunt horen wat ik misschien zeg
heel mij en gun me de gulheid van het lachen
van oog en glimlach, van oog en genegenheid.
 
Niet naïef te zijn en slechts aan dwaze antwoorden denken
noch geloven in antwoorden als enige bestemming
noch is kleur bevragen überhaupt zinvol nu
nu de witte straal in de verre boom oplicht.
Dat de zon dit met ons doen kan, elk van ons
dat de zon dit doen kan met alles binnenin
het gebroken licht door bladeren gefilterd.
Wat de ouden vrede noemden, geen voorbeeld helderder
wat onze vaderen het goede noemden, geen viering geschikter.
Bladeren stralen in het lichaam zoals ook in het hoofd
de zon dieper tast dan het denken.
 
O zinvol te zijn, van nut, voor wat je werkelijk ziet
ergens deel van uitmaken door je daden in de wereld.
Er bestaat wellicht niets groters dan dit
niets is trouwer aan wat goed voelt en zich innerlijk roert
zoals midden in de bloem die ik jouw naam geef.
Overeen te stemmen, vrede hebben met organisch spul
zwoegen en denken en teruggaan en schilderen
vader, en verder, de migratie der dingen.
De tocht terug van ganzen en bosmuizen.
De overvloedige sporen van de zon in alle leven
in alle leven dat je ziet en voelt en alle atoomdeeltjes ook.
 
Maar overdenk, wat je voelt bestaat in schaduw.
Het duister draagt een glans nog niet door helderheid gestraft
maar misschien een diepte die helderheid overschittert en waar is.
Het donker staat dicht bij twijfel en daarom dicht bij de zon
tenminste wat de oude boeken wetenschap noemden of eerbiedigden.
Het donker is geen kwaad want er zit indigo en kobalt in
en laten we het indigo nooit vergeten en de warmte ervan
de warmte van de geest weerspiegeld in een donkere tijd
in de tijd van schilderingen en gebroken licht.
Ah, ook hier is de zon in de poolstreek van de nacht
de dierlijke nabijheid van een ander en van dra.
 
Erin te stappen als in een hoge golf laat in augustus
uit te gaan onder al wat boven je glinstert.
Je verbazen en dromen en ernaar omhoogkijken
verwonderlijke en vreemde metgezel van al onze dagen
gezwoeg en getob en dierlijke angst altijd bij ons.
De nachthemel, het diepe ruimtegevoel, echte lichtlichamen
de edelstenen verfstreken in stralen en flonkering
stevig vastgehouden, vaster gewikkeld in het zien.
Het zuiver verticale voelen erin verstrikt
de hemel, de maan, de vele hemelse vormen
deze sterrennachten alleen en levend verbonden aan de rand.
 
En denken nu aan het zilver en het bijna blauw van tin.
Deze tinten diep doorvoelen, de kleur die wast en afneemt
en geel, gelen zijn de tonen van werk en brood.
De diepe gedurige zon die neerstrijkt en indruk maakt
en hier zoveel meer bereikt dan waar zij duidt
op de grote brandende bol in de kern van al het bestaande.
Stelt het niet gerust dit begrip van al het bestaande
hoewel misschien niets er de laatste, echte uitdrukking van is
dit niets in het midden van iets dat leeft en brandt
groen wordt mint, blauw wordt lei, grijs en grijs naar violet
tot lichtende schemer tot stof dan verspreid nu vergaan.
 
Maar wat is nu het nut van deze dunne straal, deur op een kier
het nauwe pad overhuifd door dicht hout roepende
en dan de gegroefde doelloosheid in lapidaire schakering en lijn.
Doorgaan, doorstoten, de volgende stap zetten, doodgaan.
De kringen verwijden en rimpelen in gearceerd immer
de kring op de horizon die steeds opnieuw de verf inrolt
tot in het niet-nabije, nu-verre, de ver verwijderde daglichtlijn.
Dat licht was mijn vijand en grote bron van kwelling
een grote troost in verf en broederschap, lucht en gras.
De geurige heuvels spraken bloeiend van toon en zo hoorde ik
hoe knoestige stronken de hemel verscheurden, de zon aanvraten.
 
Toen knoestige stronken de hemel verscheurden, de zon aanvraten
spraken de geurige heuvels bloeiend van toon en zo hoorde ik
een grote troost in verf en broederschap, lucht en gras.
Dat licht was mijn vijand en grote bron van kwelling
tot in het niet-nabije, nu-verre, de ver verwijderde daglichtlijn
de kring op de horizon die steeds opnieuw de verf inrolt.
De kringen verwijden en rimpelen in gearceerd immer.
Doorgaan, doorstoten, de volgende stap zetten, doodgaan.
En dan de gegroefde doelloosheid in lapidaire schakering en lijn
het nauwe pad overhuifd door dicht hout roepende
maar wat is nu het nut van deze dunne straal, deur op een kier.
 
Tot lichtende schemer tot stof dan verspreid nu vergaan
groen wordt mint, blauw wordt lei, grijs en grijs naar violet
dit niets in het midden van iets dat leeft en brandt
hoewel misschien niets er de laatste, echte uitdrukking van is.
Stelt het niet gerust dit begrip van al het bestaande
de grote brandende bol in de kern van al het bestaande
die hier zoveel meer bereikt dan waar hij duidt.
De diepe gedurige zon die neerstrijkt en indruk maakt
en geel, gelen zijn de tonen van werk en brood.
Deze tinten diep doorvoelen, de kleur die wast en afneemt
en denken nu aan het zilver en het bijna blauw van tin.
 
Deze sterrennachten alleen en levend verbonden aan de rand
de hemel, de maan, de vele hemelse vormen
het zuiver verticale voelen erin verstrikt.
Stevig vastgehouden, vaster gewikkeld in het zien
de edelstenen verfstreken in stralen en flonkering.
De nachthemel, het diepe ruimtegevoel, echte lichtlichamen
gezwoeg en getob en dierlijke angst altijd bij ons
verwonderlijke en vreemde metgezel van al onze dagen.
Je verbazen en dromen en ernaar omhoogkijken
uit te gaan onder al wat boven je glinstert
erin te stappen als in een hoge golf laat in augustus.
 
De dierlijke nabijheid van een ander en van dra.
Ah, ook hier is de zon in de poolstreek van de nacht
in de tijd van schilderingen en gebroken licht
de warmte van de geest weerspiegeld in een donkere tijd
en laten we het indigo nooit vergeten en de warmte ervan.
Het donker is geen kwaad want er zit indigo en kobalt in
tenminste wat de oude boeken wetenschap noemden of eerbiedigden.
Het donker staat dicht bij twijfel en daarom dicht bij de zon
maar misschien een diepte die helderheid overschittert en waar is.
Het duister draagt een glans nog niet door helderheid gestraft
maar overdenk, wat je voelt bestaat in schaduw.
 
In alle leven dat je ziet en voelt en alle atoomdeeltjes ook
de overvloedige sporen van de zon in alle leven
de tocht terug van ganzen en bosmuizen
vader, en verder, de migratie der dingen.
Zwoegen en denken en teruggaan en schilderen
overeen te stemmen, vrede hebben met organisch spul
zoals midden in de bloem die ik jouw naam geef.
Niets is trouwer aan wat goed voelt en zich innerlijk roert
er bestaat wellicht niets groters dan dit
ergens deel van uitmaken door je daden in de wereld.
O zinvol te zijn, van nut, voor wat je werkelijk ziet.
 
De zon tast dieper dan het denken
bladeren stralen in het lichaam zoals ook in het hoofd
wat onze vaderen het goede noemden, geen viering geschikter.
Wat de ouden vrede noemden, geen voorbeeld helderder
het gebroken licht door bladeren gefilterd.
Dat de zon dit doen kan met alles binnenin
dat de zon dit met ons doen kan, elk van ons
nu de witte straal in de verre boom oplicht.
Noch is kleur bevragen überhaupt zinvol nu
noch geloven in antwoorden als enige bestemming
niet naïef te zijn en slechts aan dwaze antwoorden denken.
 
Van oog en glimlach, van oog en genegenheid
heel mij en gun me de gulheid van het lachen.
Of als je toch kunt horen wat ik misschien zeg
O, lieve hemel, als je dat tenminste bent
de bladerrijke klimplant die de boom omwindt en verstikt
deze inwaartse spiraal van pak rammel en visie.
Of waarom ben ik ik in deze lege bomentuin
met de vraag, wie en hoe ben ik door strijd gesterkt
genesteld in ons deel onder de trek van de vogels
dat we rust nemen aan de rand van de boomgaard
is dit wat je beoogde, Vincent.

VINCENT, HOMESICK FOR THE LAND OF PICTURES

Sponsors
Gemeente Rotterdam
Nederlands Letterenfonds
Stichting Van Beuningen Peterich-fonds
Prins Bernhard cultuurfonds
Lira fonds
Partners
LantarenVenster – Verhalenhuis Belvédère